El Cerro de la Muerte

Een vijftal hevige schokken en een ferme ruk aan het stuur. Op een hellende berm halverwege de Cerro de la Muerte (Heuvel des Doods, pun not intended!) kwamen we tot stilstand.

Onze huurwagen had de geest gegeven.

Godver.

We hadden het kunnen weten.

Een dag eerder waren de problemen met de airco begonnen. Die blies bij momenten warme lucht in plaats van koelte. Godverdegodver – excuus, maar een mens zou van minder, bij temperaturen van pakweg 28 tot 38 graden. Bovendien hing er een vreemde geur in en rond de wagen. Getver – vis, dachten we nog, en hoe kon dat nadat we de kust al een uur of wat hadden verlaten? Twintig minuten later ging een rood lampje branden. En toen hield het op.

In panne vallen is nooit fijn.

Maar op Latijns-Amerikaanse bergwegen is het op zijn minst een pittige uitdaging. Er zijn geen pechstroken en iedereen raast je als een gek voorbij. Links en rechts, en soms aan beide kanten tegelijkertijd. Fluojasjes zijn er niet en de gevarendriehoek is een been kwijt. En naast de weg gaapt een afgrond waarin je met gemak een kleine vloot kan dumpen zonder dat iemand er ooit iets van merkt. Maar spannend is het wel.

Om een lang verhaal kort te maken.

We stopten een voorbijganger en bedelden om een telefoontje (we hadden nog geen lokale simkaart!), vloekten nog een keer of wat, lieten de wagen afkoelen, vulden het waterreservoir bij en reden toen aan een slakkengangetje de berg op. Een tiental kilometer verderop bereikten we het dichtstbijzijnde gehucht. Er stonden zeven huizen en een kerk. Als bij wonder bleek er ook een chalet te zijn, dus bedelden we bij de buren om een telefoontje. En kijk: alweer een wonder. De chalet was beschikbaar! De verhuurder bracht dekens en proviand, en de buren nodigden ons uit om te dineren.

         

Het werd een prachtige avond.

Vol pikant eten, muziek, sterke verhalen en nog sterkere drank. ’s Morgens kregen we een nieuwe wagen én werden we vergast op dit uitzicht. (Dat ik de tegen ’s avonds lichte koorts had door het grote temperatuurverschil – van 38 naar amper 12 graden – nam ik er met plezier bij. Ik vloekte zelfs niet eens!)

 

En toen hadden we opeens een meisje gered

Na talloze ‘aaaahs’ voor de dolfijnen en gegniffel bij de zoveelste parende schildpadden gingen we aan land bij een piepklein eiland. Enfin, we gingen te water. Met snorkel, duikbril en zwemvliezen. (Dat was in mijn geval bijzonder elegant – not! – dus daar zijn geen foto’s van. Stel er u iets bij voor van dood gewicht dat in het water kiepert en tegen alle verwachtingen in sputterend weer boven komt.)

Er viel namelijk een en ander te bekijken onder het wateroppervlak.

Ettelijke minuten en een paar slokken zeewater later had ik het snorkelen enigszins onder de knie. Het loonde de moeite: ik zwom tussen koraal, zeeëgels en vissen in de gekste kleuren. Als kers op de taart kreeg ik van de gids een levende zeester in mijn handen gestopt.

Het voelde een beetje als een grote spin.

Het zag er ook ongeveer hetzelfde uit. En toch heb ik niet gegild. Dat was ook geen optie met zo’n snorkelding in mijn mond. Maar echt: het was cool. Heel even schoot het zelfs door mijn hoofd dat ik ooit hetzelfde wou proberen met een spin. Gelukkig verdween dat idee even snel als het gekomen was.

Daarna gingen we aan land. Strompelend, uiteraard. Met zwemvliezen aan kun je niet anders. En zonder haal je je voeten open aan de scherpe keitjes. Ik deed het zonder. Liever bloedende voeten dan stappen als een halve pinguïn.

Enfin. Het was een prachtige morgen.

En alsof het nog niet genoeg was, redde de Echtgenoot op de terugtocht ook nog een meisje van de verdrinkingsdood. Eerst dacht ik dat ze gewoon aan het zwemmen was, ze zag er van op afstand zelfs vrolijk uit. Maar toen zei ze ‘help’. Zonder geluid. Ze was doodop. Wie weet hoe lang ze daar al dobberde, vechtend tegen de stroming. We konden haar nog net op tijd aan boord hijsen.

Het drong ’s avonds pas echt tot mij door en ik kon daarna aan niets anders denken: het is dus waar. Je ziet het nauwelijks wanneer iemand verdrinkt. Gelukkig waren wij erg dichtbij. En gelukkig kan de Echtgenoot beter zwemmen dan ik.

 

Tragische romantiek in het dierenrijk

Walvissen hadden we al eerder gezien. Vijf jaar geleden in Ecuador, om precies te zijn. Ze blijven uiteraard indrukwekkend, maar deze keer waren het vooral de dolfijnen waarnaar we uitkeken. Die bleken helaas moeilijker te vinden.

We voeren steeds verder de zee op.

Voorbij het koraalrif dat de golven naar de vredige baai brak. Voorbij het kalme water waar de bultruggen zich gewillig door toeristen lieten bewonderen. We zagen niets. Noppes. Nada. Of toch: drijvende reuzenschildpadden. Twee stuks, bovenop elkaar. Dat ze aan het paren waren, wist de gids ons te vertellen. En dat ze dat 6 weken aan een stuk volhielden. ZES. WEKEN. SEKS. Drijvend aan de oppervlakte van de Stille Oceaan. Af en toe doken ze onder, zei hij. Zodat het vrouwtje algen kon eten. Het mannetje had minder geluk: die lag bovenop en moest het dus zonder voer doen. Soms overleefde hij het, maar vaker niet. Tragische romantiek in het dierenrijk.

We wilden het net opgeven.

En toen kregen we er eentje te zien: een dolfijn. Aaaaaaah, riepen we met zijn vijven in koor. De gids deed niet mee. Misschien had hij er al te veel gezien in zijn leven en deed het hem niets meer. Heel even zwom de dolfijn op enkele meters voor onze boot, en daarna kwam hij ook nog eens aan de oppervlakte naast ons. Hij maakte een schattig geluidje. Wij deden unisono van ‘aaaaah’.

We waren dolgelukkig.

Op de terugweg naar het strand zagen we er plots nog een stuk of tien. En elke keer riepen we weer ‘aaaaah’. Want dolfijnen zien, dat went niet. Wat onze gids er ook van denkt.

Mijn ogen traanden. Al kan dat ook van de wind geweest zijn.

P.S. Hierboven een foto van de parende schildpadden. Foto’s van de dolfijnen heb ik niet gemaakt. Ik had het te druk met ‘Aaaah’ roepen.

Vijf mogelijke reisroutes waar geen kat wat aan heeft

Ik hou van improvisatie. Ook bij het reizen. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan waarom. Misschien omdat ik het van huis uit heb meegekregen, wat mij een hoop mooie herinneringen heeft bezorgd. Of omdat het avontuurlijker is: een vast plan laat weinig ruimte voor toevallige ontmoetingen, ingevingen van het moment of andere zottigheden. Of gewoon omdat ik au fond een luie donder ben. Kan ook. (Meestal werkt het trouwens prima. Tijdens mijn eerste reis alleen heb ik aan mijn gebrek aan planning de Liefde Van Mijn Leven overgehouden 🙂 )

Dit is hoe het gaat:

We kiezen een land, zoeken een en ander op en boeken de vliegtuigtickets. Als we vroeg zijn, gebeurt dat een maand of vier op voorhand. Soms amper twee weken. Daarna doe ik niets. Af en toe een beetje surfen, wat dingetjes opzoeken, een Lonely Planet aanschaffen. Een dag of vijf voor vertrek slaat de paniek toe: waar gaan we naartoe? Wat moeten we absoluut gezien/gedaan/bezocht hebben ter plaatse? Dat is het moment waarop de reisgids in ijltempo wordt doorgenomen. Ik onderstreep, doorstreep, omcirkel – tussen het wassen, strijken en valiezen maken door. Ik maak een eerste basisplan op. De volgende dag geven de kinders commentaar en mag ik helemaal opnieuw beginnen. De dag daarna nog een keer. Enzovoort. Tegen de tijd dat we op het vliegtuig stappen heb ik vijf mogelijke reisroutes waar geen kat wat aan heeft.

Gelukkig is er bij aankomst de huurwagen.

En gps. Zo wordt de knoop uiteindelijk toch doorgehakt. We rijden van stad naar dorp, van vulkaan naar strand, van regenwoud naar droge vlakte. Zolang er daglicht en benzine is en de Echtgenoot zijn ogen kan open houden. Soms slapen we in een proper, zacht bed. En soms in een rovershol. We gaan op restaurant, eten in een kraampje langs de weg of koken onze eigen pot. We bezoeken musea, kuieren wat rond, doen gevaarlijke dinges of liggen in een hangmat. Het is zalig.

Het is dat de terugvlucht al geboekt is, anders wist ik eerlijk waar niet of en wanneer we terugkwamen.

 

 

 

Negen ziplines en een rappel

Het is dat je van niets wist toen je boekte.

Negen ziplines en één rappel – gewoon een afdaling, hadden ze gezegd. Niets om je zorgen over te maken, mevrouwtje. Dat deed je ook niet. Na die negen ziplines zou zo’n afdaling er nog wel bij kunnen. En inderdaad: toen je eindelijk zo ver was geraakt, kon die hele rappel je geen bal meer schelen.

Twee uur lang was je continu over je grenzen gegaan. Met een belachelijk lelijke helm op (een gele!) en riemen die in je billen sneden was je aan een ijzeren koord door het regenwoud gescheurd. Zonder gillen. Zonder vallen. En zonder zeuren. Je had alleen een beetje je hand verbrand bij het remmen, omdat die stomme handschoen versleten was. Je was best trots op jezelf. Dan kon je zo’n rappelletje toch ook nog aan?

Tot je zoon erop wees hoe diep het was, tot aan het water. Je lachte het weg: jullie moesten helemaal niet tot aan het water.

Toch?

Abseilen. Met een klap drong het tot je door: dat was wat je zou doen. Een idioot gevaarlijke sport voor adrenalinefreaks zonder hoogtevrees. Mensen die het fijn vinden om tegen een krankzinnig verticale rotswand aan te huppelen.

Je slikte. Zo gevaarlijk kon het niet zijn, toch? Je hing immers aan een koord. Een stevig koord. En je was beveiligd met een ander stevig koord. Bovendien stond er beneden én boven iemand die je zachtjes zou laten zakken. Dacht je. Maar je liet iemand voorgaan. Om het eerst maar eens aan te zien. En toen nog iemand. En nog iemand. Tot je het niet meer kon uitstellen. Anders zou je de laatste zijn, en dat was nog enger dan de voorlaatste.

Dus daar ging je.

En het ging best goed.

Nou ja. Goed… Dat harnasding sneed behoorlijk pijnlijk in je rug en af en toe ging het pittig snel naar beneden. Het kostte je ook flink wat moeite om af te remmen – alsof je je hele gewicht zelf moest dragen met die ene arm. Wat stonden die venten met dat koord daar boven en beneden in godsnaam te doen? Luie donders! Enigszins elegant tegen de rotswand op en neer huppelen zat er op die manier uiteraard niet in. Je mocht al blij zijn als je heelhuids beneden aankwam.

Godverdomme!!! Waarom had je je dit laten aanpraten?

Je raakte beneden – dat kon ook niet anders. En je had nog al je ledematen en leefde zelfs nog min of meer. Achteraf kreeg je de videobeelden te zien. Het touw naar beneden hing de hele tijd slap. Je had jezelf laten zakken. Met die ene arm. Dat had niemand je op voorhand verteld, natuurlijk. En ze hadden groot gelijk gehad.

10 kleine ergernissen tijdens het pakken voor een verre reis

  • Dat de veters van je schoenen danig rafelen en je ze nog nauwelijks door de gaatjes krijgt. En dat die truuk met plakband niet zo goed werkt als je zou willen/als tinternet verkondigt.
  • Dat de kinders na het afronden van de echt-aller-allerlaatste was toch nog een vuil T-shirt, twee groezelige shorts en vijf paar stinkende sokken vinden. Die absoluut meemoeten, uiteraard.
  • Dat de Echtgenoot zijn enkel verstuikt en naar de dokter van wacht moet. Zonder veel erg, maar toch. (En dat hij maar beter genezen kan zijn tegen dat je landt en je met de huurauto het Latijns-Amerikaanse verkeer moet trotseren. Anders is die verstuikte poot het minste van je zorgen!)
  • Dat je vergeten was dat er eigenlijk ook nog gekookt moet worden. En dat niemand zin heeft in ‘alweer soep met boterhammen’.
  • Dat het een feestdag is, dus alle winkels zijn gesloten. Je hebt uiteraard alles op voorhand in huis gehaald – strakke planner die je bent – maar die knagende ‘wat als’ is behoorlijk enerverend.
  • Dat er last minute nog vier gaten gestopt en zeven knopen aangenaaid moeten.
  • Dat het online bankieren plots beweert dat je twee kaarten niet geldig zijn. Wat uiteraard onzin is en na een half uur van volslagen hysterie vanzelf opgelost raakt.
  • Dat je geen flauw benul hebt in welke hoek of rommellade je de internationale adaptor na de laaste reis hebt gegooid.
  • Dat je minstens vier keer de reispassen en andere documenten moet checken om je ervan te vergewissen dat ze er echt allemaal zijn.
  • Dat je de enige bent in het gezin die zich druk maakt in dit alles.

Maar het komt goed. Heus.

En anders leest u het wel.

 

Integratie is een kwestie van toeteren

Het is een code. Een duistere, ingewikkelde en ondoordringbare code. Dat is de onvermijdelijke conclusie die wij na twee dagen Ecuador konden trekken.

Een existentiële drang

Een van de meest opvallende geluiden is het constante getoeter op straat: een muzikaal spel van lange en korte biepen, van hard en zacht geclaxonneer. In tegenstelling tot bij ons heeft toeteren in Ecuador meer functies dan waarschuwen of dreigen. Soms is het een groet – misschien heeft de chauffeur een mooie vrouw gezien of wil hij de aandacht trekken van zijn vriend aan de overkant van de straat. Soms is het een uitnodiging – in dat geval heeft de chauffeur zonder twijfel een mooie vrouw gezien of wil hij rondslenterende toeristen zijn taxi in lokken. Maar meestal is het een kwestie van existentiële drang tot zelfbevestiging. De chauffeur moet namelijk dringend laten weten dat hij bestaat. Afgaande op het aantal variaties in toeterfrequentie, -ritme en -intensiteit, zijn er daarnaast nog een honderdtal andere redenen om lawaaierig te zijn. Die kan een buitenlander onmogelijk bevatten, dus laten we vooral geen moeite doen.

Maar eigenlijk toeteren de Ecuadoranen gewoon omdat ze dat leuk vinden.

En kijk, dat kunnen wij ook.

Wij hebben namelijk een auto om rond te toeren. En het eerste wat we doen, is de toeter uitproberen. We zijn er nog een beetje onhandig in – we snappen de code niet, weet u wel – maar dat komt ongetwijfeld. In afwachting daarvan zitten de kinderen alvast op de achterbank te juichen bij elke biep, toet of ander irritant geluid dat onze wagen voortbrengt.

When in Rome…, nietwaar?

Van gebrek aan integratie kan men ons alvast niet beschuldigen.

 

Nee, wij trekken momenteel niet rond in Ecuador. Dat deden we 5 jaar geleden, om precies te zijn. Het verslag daarvan stond nog ergens op een verre, lang vergeten blog. In het vooruitzicht van onze volgende verre reis, leek het mij wel leuk deze reisverslagen hier te plaatsen.

Niets doen

 

Niets doen. Mens, dat was lang geleden. Zo lang, dat ik het bijna verleerd was. Af en toe moest ik mezelf zelfs streng toespreken wanneer ik weer eens rusteloos door het vakantiehuis dwaalde, op zoek naar een klusje.
‘Neen, we doen niets! Niemendal, noppes, nada. Gehoord?’
Ik was nietsvermoedend gaan zitten en had mijn laptop opengeklapt. Ik gaf mezelf nog net geen tik op de vingers.
‘Neen! Vandaag niet en morgen al helemaal niet. En als het even kan de dagen daarna ook niet. Lui en vadsig zullen we zijn. Willen of niet!’
Bijna had ik een sok van de grond gepikt, maar ik kon me beheersen.
‘Blijf er af! We doen helemaal niets. Heb je prut in je oren? En kijk: daar ligt een boek!’
Ik stond met een schuursponsje en antikalk in mijn handen. Meedogenloos legde ik ze terug in de kast.
Het leek te werken.
Ik bleef van de computer af. Ik pakte mijn kleren niet uit en leefde uit mijn koffer. Ik schreef niet, waste en streek niet, poetste niet en kookte maar een heel klein beetje. Net genoeg om in leven te blijven. En de afwas deden de kinders. Ook het nadenken en malen probeerde ik binnen de perken te houden, al lukte dat maar met mate – een hardnekkige gewoonte leert een mens niet af tijdens een weekje vakantie.
Lezen deed ik mateloos.

Het lukte, maar het ging niet vanzelf. Al na één dag vertoonde ik afkickingsverschijnselen: rusteloosheid, hoofdpijn en vreemde tics op ongepaste momenten. Weer sprak ik mezelf streng toe.
‘Ach ach. Niets wat met een goed boek, een glas wijn en een degelijke nachtrust niet te genezen valt. Toch?’
Maar dat schrijvershoofd, dat wilde niet mee. Het bleef maar malen.
Ik had toch een schrift meegebracht?
Waarvoor diende dat anders dan om te schrijven?
Toe? Een klein beetje maar. Een regeltje of vier.
‘Neen. We doen niets! Dus ook niet schrijven.’
Ik bleef twijfelen. Geloofde mezelf niet helemaal.
Overal zag ik verhaallijnen voorbij komen, dichtregels, personages, titels en tekstflarden. Hoe minder ik ernaar op zoek ging, des te talrijker ze werden. Ik schreef ze niet neer, maar borg ze veilig op in een van de vele laatjes in mijn hoofd. Voor later. Na een paar dagen waren het er zo veel, dat ik vreesde ze te vergeten. Dus nam ik stiekem mijn schrift en schreef er een paar op.
Mijn reactie liet niet op zich wachten.
‘Proper.’
Dat is niet echt schrijven. Het zijn maar enkele woorden.
‘Ja hoor. Natuurlijk.’
Ik legde het schrift weer aan de kant. Met heel veel moeite. Ik zou mezelf nog even respijt gunnen. Nog even niets doen en de ideeën koesteren. Als ze goed genoeg waren, zouden ze de vakantie wel overleven.

Ik ben benieuwd.

paradijs

Het paradijs is niet perfect. Dat viel te verwachten: perfectie is niet des mensen en zou bovendien maar al te snel gaan vervelen. Alles benoemen wat het hier paradijselijk maakt is onbegonnen werk, dus laat ik het maar samenvatten met schoonheid, warmte, lekker eten en de liefste mensen ter wereld – niet noodzakelijk in die volgorde. De luttele tekortkomingen wil ik wel even voor u opsommen:

 

• Er zitten vervelende beesten. Muggen voornamelijk, maar ook zand- en andere vlooien.
• Er zitten nog andere vieze beesten. Kakkerlakken. Slangen. Grote spinnen.
• Een internetverbinding varieert van onbestaand tot volkomen onbetrouwbaar.
• Het stikt van de zielige, uitgemergelde en door schurft en andere ziektes aangevreten katten en honden die bij iedereen en niemand horen en je hart breken.
• De oorspronkelijke bewoners zijn verjaagd of verworden tot een bezienswaardigheid ter vermaak van toeristen.
• De rijkdom is schandelijk ongelijk verdeeld.
• Je moet er onherroepelijk ooit weg.

 

Met sommige van die tekortkomingen leert een mens leven. Meer zelfs: ze maken het bestaan van het paradijs draaglijk. Nooit gedacht dat een jeukende muggenbeet zo kon bijdragen aan je relativeringsvermogen. Andere zijn moeilijk of niet te verteren. Ze zorgen er hoogstens voor dat het afscheid iets minder pijnlijk wordt.

 

omslag

Zomaar een beeld

Ik heb er geen foto’s van, dus u zult me op mijn woord moeten geloven.

Zes palen en tien stukken oud zeil, waarschijnlijk verzameld uit aangespoeld afval. Dat is het volledige huis. De huisraad bestaat grofweg uit een bed van twee aangevreten matrassen die met een koord vastgebonden zitten op een bouwsel van stokken en een plank, drie verroeste koelkasten zonder aansluiting (er is geen elektriciteit), een vrachtwagenband gevuld met verkoold hout die dienst doet als keuken, twee vaten die het regenwater van het zeildak opvangen (er is geen stromend water) en nog een stuk of wat rondslingerende spullen. Tussen een van de palen en palmboom hangt een touw met daaraan vier kledingstukken, de volledige inhoud van de kleerkast. Rond de woning lopen schuwe, magere honden en een handvol kippen tussen de boot en de visnetten.

Ik sta op het terrein van een gigantische finca, aan wat een van de meest paradijselijke stranden van Colombia zou kunnen zijn. De schatrijke eigenaars zijn er niet. Die hebben zich teruggetrokken in een van hun vele andere woningen, ergens aan een luxestrand of in de grootstad. Hun eigendom aan zee hebben ze achtergelaten onder de hoede van een oude bediende, die zo goed en zo kwaad als het kan, probeert om de boel overeind te houden met het minimumloon dat ze hem betalen. Aan de rand van het terrein worden de oorspronkelijke bewoners van het gebied gedoogd: de indiaanse vissers. Zij leven onder het zeildoek en sleuren hun gammele vissersboten dag na dag de woeste zee in, in de hoop voldoende buit binnen te halen om enigszins te overleven.

Het paradijs en de hel liggen soms heel dicht bij elkaar.