5x Bambi

Niet ademen om te overleven

We hadden gehoopt op eentje, of twee. We vonden er vijf. Vijf babyhertjes, waarvan eentje pasgeboren. Het was nog niet eens helemaal droog.

De tegenstelling tussen volwassen herten en hun jongen kan onmogelijk groter zijn. Waar de grotere exemplaren de aandacht trekken door hun snelheid en beweeglijkheid, liggen hun jongen doodstil. Daar hangen hun overlevingskansen van af. Als er gevaar dreigt, vlucht de kudde weg. Wie te klein is om snel te rennen, blijft achter. Onbeweeglijk. Zonder te knipperen. Zonder te kwispelen. Zelfs zonder adem te halen. Tot het gevaar is geweken en de kudde hen weer ophaalt.

Ik had medelijden met de moeders én de jongen. Zoveel angst en stress op een zomerse zondagmorgen. Maar de nieuwsgierigheid was groter.

De kunst van dood spelen

We zijn uiteraard braaf geweest, de Echtgenoot en ik. We hebben ze niet aangeraakt. Alleen een paar foto’s gemaakt van op enkele meters afstand. Ook de baby’s zijn braaf geweest. Ze deden precies wat er van hen verwacht werd: doen alsof ze morsdood waren. Zelfs niet met hun (grote) ogen knipperen en nauwelijks ademen.

Maar bij eentje ging het mis.

4 onbeweeglijke baby’s en 1 hyperkineet

Nummer 5 bleek een hyperkineet. Onbeweeglijk blijven liggen terwijl twee idioten tussen de netels door een foto van je proberen te nemen duurde hem te lang. Dus sprong hij plots op – ik belandde van schrik net niet in de netels – en rende er op hoge, lichtjes scheve pootjes vandoor. Voor een baby ging hij razendsnel. Toch vond ik dat hij een inschattingsfout maakte. Toegegeven: ik had hem onmogelijk kunnen inhalen, maar ik vrees dat het voor een echt roofdier (of een van mijn honden) een eitje was geweest.

Ik hoorde het zijn moeder zo zeggen: Kind. Mijn hart stond stil. Wil je dat nooit meer doen?

 

Groeten uit het Lijsternest #3: afkicken

img_1386

Of het niet stilaan gaat vervelen, vroeg iemand een paar dagen geleden, weken aan een stuk in je eentje met alleen maar boeken en schrijfspullen om je heen. Daar moet je toch gek van worden?

Absoluut niet.

Boeken zijn namelijk uitstekend gezelschap. En ook met de schrijfspullen wil het best vlotten. (Ze werken niet altijd mee zoals ik zou willen, maar na lang onderhandelen hebben we uiteindelijk een akkoord bereikt. Het komt hierop neer: of ze werken mee, of ik smijt ze buiten. Ik ben nogal dictatoriaal in mijn onderhandelen.)

Toch heb ik moeten afkicken; van de drukte, de chaos en de stress die een fulltime job in combinatie met een halftijdse schrijfcarrière en een huishouden van vijf met zich mee brengen. De eerste dagen hier in mijn nest liep ik verloren. Het zal wel mijn eigen dramatische ik zijn, maar ik verwachtte aldoor dat er opeens en uit het niets gigantische manden vol strijk en bergen afwas zouden opduiken, of boodschappenlijsten die minstens zeven winkelbezoeken omvatten, of een kapotte vaatwas, een lekkende dakgoot, een zieke puber, een mankende hond, of – het allerergste – een klas dictiekindjes die ik bij mijn lesvoorbereidingen schandelijk over het hoofd had gezien.

Ik had er zelfs nachtmerries van.

Vandaar het vele wandelen: kwestie van mijzelf weer richting te geven en het spinrag uit mijn hoofd te laten waaien. En kwestie van moe genoeg te zijn om ’s avonds als een blok in slaap te vallen.

Als je jarenlang en tegen beter weten in dagelijks een to-dolijst opstelt die verdacht veel lijkt op een jaarplan, dan doet het vreemd wanneer je agenda op een dag zo leeg blijkt als een uitgeblazen ei*.

Maar ik ben hoe dan ook van plan om er nog twee weken ontzettend van te genieten.

img_1060

* Hier stond oorspronkelijk een andere vergelijking, maar die heb ik geschrapt wegens te voor de hand liggend en bovendien: ik wil niet stoken. Ook al leest geen enkele Trump-voter mijn blog. Denk ik.