Piepkleine stukjes Poeh

De Zoon had zijn kamer opgeruimd – een heuglijke gebeurtenis voorwaar! Er kwamen grove middelen aan te pas. Op enkele uren tijd passeerden ettelijke vuilniszakken de revue en de stapel weg-te-gooien werd allengs groter.

Zelfs de oude Winnie de Poeh moest eraan geloven.

Samen met de andere dinges-die-een-herbestemming-van-doen-hadden, werd hij voorlopig op het keukenterras gedumpt. Het duurde niet lang. Welgeteld de tijd die de pup nodig had om recht te krabbelen en de drie meter te overbruggen die hem van het teddybeest scheidden.

Nu zou je verwachten dat een hond na pakweg 16 maanden al iets minder destructief zou zijn. Dat hij Poeh bijvoorbeeld als een knuffel zou beschouwen. Eraan snuffelen. Likken. Misschien heel even in bijten – voorzichtig.

Maar niets van dat.

De prooi moest dood. Morsdood.

Wat ooit een Poeh-beer was, werd herleid tot een onoverzichtelijke hoop vuile pluis. En de Zoon kon herbeginnen. Het kostte hem een half uur om de tuin te ontdoen van piepkleine plukjes Poeh.

Leve de jetlag!

Ja, meestal is het een vervelend beestje. Met slapeloosheid, hoofdpijn, misselijkheid en tal van andere symptomen. Maar elk nadeel heb se voordeel. Zo kan zelfs de grootste nachtuil dankzij een flinke jetlag plots een ochtendmens worden. Ik ben het levende bewijs.
Acht uur extra: een wereld van verschil

Ik ben in Costa Rica nooit later dan klokslag zeven uit mijn bed gestruikeld. Meestal was ik al tussen vijf en zes uit de veren, en een enkele keer zelfs om half vijf. Woehoe! Dat vroege opstaan heeft namelijk het voordeel dat je een prachtige, lange morgen voor de boeg hebt – niet onbelangrijk tijdens het regenseizoen, met zijn gruwelijke onweders in de namiddag. Dat je het tropische strand met niemand moet delen – al valt dat aan de Caraïbische kust ook de rest van de dag nogal mee. Én! dat je niet onaangenaam verrast wordt door brulapen op amper tien meter van je bed – serieus! (Volgens mij gilde ik nog net iets harder dan die rotbeesten.)

Salsa-vuilniswagen

Het was amper dag drie, dus blijven slapen na vijf uur ’s morgens lukte nog niet. Behalve voor de pubers. Die slapen immers losweg door eender welke jetlag heen. Ondertussen maakten de Echtgenoot en ik van de gelegenheid gebruik om Cañas te verkennen. Het licht was prima om te fotograferen, de duiven die je normaal gezien van op elke elektriciteitskabel belagen sliepen nog en we werden achtereenvolgens getrakteerd op een muzikale vuilniswagen, (kanon)schoten en een rijdend orkest. (Een en ander had misschien iets te maken met het Onafhankelijkheidsfeest in Guanacaste, maar ik hou het erop dat de Tico’s gewoon een erg vrolijk volk zijn.)

 

En toen sloeg de klok zes uur en kon de dag beginnen.

 

 

El Cerro de la Muerte

Een vijftal hevige schokken en een ferme ruk aan het stuur. Op een hellende berm halverwege de Cerro de la Muerte (Heuvel des Doods, pun not intended!) kwamen we tot stilstand.
Onze huurwagen had de geest gegeven.
Godver.

We hadden het kunnen weten.

Een dag eerder waren de problemen met de airco begonnen. Die blies bij momenten warme lucht in plaats van koelte. Godverdegodver – excuus, maar een mens zou van minder, bij temperaturen van pakweg 28 tot 38 graden. Bovendien hing er een vreemde geur in en rond de wagen. Getver – vis, dachten we nog, en hoe kon dat nadat we de kust al een uur of wat hadden verlaten? Twintig minuten later ging een rood lampje branden. En toen hield het op.

In panne vallen is nooit fijn.

Maar op Latijns-Amerikaanse bergwegen is het op zijn minst een pittige uitdaging. Er zijn geen pechstroken en iedereen raast je als een gek voorbij. Links en rechts, en soms aan beide kanten tegelijkertijd. Fluojasjes zijn er niet en de gevarendriehoek is een been kwijt. En naast de weg gaapt een afgrond waarin je met gemak een kleine vloot kan dumpen zonder dat iemand er ooit iets van merkt. Maar spannend is het wel.

Om een lang verhaal kort te maken.

We stopten een voorbijganger en bedelden om een telefoontje (we hadden nog geen lokale simkaart!), vloekten nog een keer of wat, lieten de wagen afkoelen, vulden het waterreservoir bij en reden toen aan een slakkengangetje de berg op. Een tiental kilometer verderop bereikten we het dichtstbijzijnde gehucht. Er stonden zeven huizen en een kerk. Als bij wonder bleek er ook een chalet te zijn, dus bedelden we bij de buren om een telefoontje. En kijk: alweer een wonder. De chalet was beschikbaar! De verhuurder bracht dekens en proviand, en de buren nodigden ons uit om te dineren.

         

Het werd een prachtige avond.

Vol pikant eten, muziek, sterke verhalen en nog sterkere drank. ’s Morgens kregen we een nieuwe wagen én werden we vergast op dit uitzicht. (Dat ik de tegen ’s avonds lichte koorts had door het grote temperatuurverschil – van 38 naar amper 12 graden – nam ik er met plezier bij. Ik vloekte zelfs niet eens!)

 

En toen hadden we opeens een meisje gered

Na talloze ‘aaaahs’ voor de dolfijnen en gegniffel bij de zoveelste parende schildpadden gingen we aan land bij een piepklein eiland. Enfin, we gingen te water. Met snorkel, duikbril en zwemvliezen. (Dat was in mijn geval bijzonder elegant – not! – dus daar zijn geen foto’s van. Stel er u iets bij voor van dood gewicht dat in het water kiepert en tegen alle verwachtingen in sputterend weer boven komt.)

Er viel namelijk een en ander te bekijken onder het wateroppervlak.

Ettelijke minuten en een paar slokken zeewater later had ik het snorkelen enigszins onder de knie. Het loonde de moeite: ik zwom tussen koraal, zeeëgels en vissen in de gekste kleuren. Als kers op de taart kreeg ik van de gids een levende zeester in mijn handen gestopt.

Het voelde een beetje als een grote spin.

Het zag er ook ongeveer hetzelfde uit. En toch heb ik niet gegild. Dat was ook geen optie met zo’n snorkelding in mijn mond. Maar echt: het was cool. Heel even schoot het zelfs door mijn hoofd dat ik ooit hetzelfde wou proberen met een spin. Gelukkig verdween dat idee even snel als het gekomen was.

Daarna gingen we aan land. Strompelend, uiteraard. Met zwemvliezen aan kun je niet anders. En zonder haal je je voeten open aan de scherpe keitjes. Ik deed het zonder. Liever bloedende voeten dan stappen als een halve pinguïn.

Enfin. Het was een prachtige morgen.

En alsof het nog niet genoeg was, redde de Echtgenoot op de terugtocht ook nog een meisje van de verdrinkingsdood. Eerst dacht ik dat ze gewoon aan het zwemmen was, ze zag er van op afstand zelfs vrolijk uit. Maar toen zei ze ‘help’. Zonder geluid. Ze was doodop. Wie weet hoe lang ze daar al dobberde, vechtend tegen de stroming. We konden haar nog net op tijd aan boord hijsen.

Het drong ’s avonds pas echt tot mij door en ik kon daarna aan niets anders denken: het is dus waar. Je ziet het nauwelijks wanneer iemand verdrinkt. Gelukkig waren wij erg dichtbij. En gelukkig kan de Echtgenoot beter zwemmen dan ik.

 

Tragische romantiek in het dierenrijk

Walvissen hadden we al eerder gezien. Vijf jaar geleden in Ecuador, om precies te zijn. Ze blijven uiteraard indrukwekkend, maar deze keer waren het vooral de dolfijnen waarnaar we uitkeken. Die bleken helaas moeilijker te vinden.

We voeren steeds verder de zee op.

Voorbij het koraalrif dat de golven naar de vredige baai brak. Voorbij het kalme water waar de bultruggen zich gewillig door toeristen lieten bewonderen. We zagen niets. Noppes. Nada. Of toch: drijvende reuzenschildpadden. Twee stuks, bovenop elkaar. Dat ze aan het paren waren, wist de gids ons te vertellen. En dat ze dat 6 weken aan een stuk volhielden. ZES. WEKEN. SEKS. Drijvend aan de oppervlakte van de Stille Oceaan. Af en toe doken ze onder, zei hij. Zodat het vrouwtje algen kon eten. Het mannetje had minder geluk: die lag bovenop en moest het dus zonder voer doen. Soms overleefde hij het, maar vaker niet. Tragische romantiek in het dierenrijk.

We wilden het net opgeven.

En toen kregen we er eentje te zien: een dolfijn. Aaaaaaah, riepen we met zijn vijven in koor. De gids deed niet mee. Misschien had hij er al te veel gezien in zijn leven en deed het hem niets meer. Heel even zwom de dolfijn op enkele meters voor onze boot, en daarna kwam hij ook nog eens aan de oppervlakte naast ons. Hij maakte een schattig geluidje. Wij deden unisono van ‘aaaaah’.

We waren dolgelukkig.

Op de terugweg naar het strand zagen we er plots nog een stuk of tien. En elke keer riepen we weer ‘aaaaah’. Want dolfijnen zien, dat went niet. Wat onze gids er ook van denkt.

Mijn ogen traanden. Al kan dat ook van de wind geweest zijn.

P.S. Hierboven een foto van de parende schildpadden. Foto’s van de dolfijnen heb ik niet gemaakt. Ik had het te druk met ‘Aaaah’ roepen.

Vijf mogelijke reisroutes waar geen kat wat aan heeft

Ik hou van improvisatie. Ook bij het reizen. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan waarom. Misschien omdat ik het van huis uit heb meegekregen, wat mij een hoop mooie herinneringen heeft bezorgd. Of omdat het avontuurlijker is: een vast plan laat weinig ruimte voor toevallige ontmoetingen, ingevingen van het moment of andere zottigheden. Of gewoon omdat ik au fond een luie donder ben. Kan ook. (Meestal werkt het trouwens prima. Tijdens mijn eerste reis alleen heb ik aan mijn gebrek aan planning de Liefde Van Mijn Leven overgehouden 🙂 )

Dit is hoe het gaat:

We kiezen een land, zoeken een en ander op en boeken de vliegtuigtickets. Als we vroeg zijn, gebeurt dat een maand of vier op voorhand. Soms amper twee weken. Daarna doe ik niets. Af en toe een beetje surfen, wat dingetjes opzoeken, een Lonely Planet aanschaffen. Een dag of vijf voor vertrek slaat de paniek toe: waar gaan we naartoe? Wat moeten we absoluut gezien/gedaan/bezocht hebben ter plaatse? Dat is het moment waarop de reisgids in ijltempo wordt doorgenomen. Ik onderstreep, doorstreep, omcirkel – tussen het wassen, strijken en valiezen maken door. Ik maak een eerste basisplan op. De volgende dag geven de kinders commentaar en mag ik helemaal opnieuw beginnen. De dag daarna nog een keer. Enzovoort. Tegen de tijd dat we op het vliegtuig stappen heb ik vijf mogelijke reisroutes waar geen kat wat aan heeft.

Gelukkig is er bij aankomst de huurwagen.

En gps. Zo wordt de knoop uiteindelijk toch doorgehakt. We rijden van stad naar dorp, van vulkaan naar strand, van regenwoud naar droge vlakte. Zolang er daglicht en benzine is en de Echtgenoot zijn ogen kan open houden. Soms slapen we in een proper, zacht bed. En soms in een rovershol. We gaan op restaurant, eten in een kraampje langs de weg of koken onze eigen pot. We bezoeken musea, kuieren wat rond, doen gevaarlijke dinges of liggen in een hangmat. Het is zalig.

Het is dat de terugvlucht al geboekt is, anders wist ik eerlijk waar niet of en wanneer we terugkwamen.