Dood

Deze morgen lag er een dood beest in de tuin. Ik had het al geroken. En bovendien cirkelde er onafgebroken een gier boven mijn hoofd. Toch had ik een van de honden nodig om de exacte locatie te bepalen.
Mensenneuzen zijn ontoereikend voor speurwerk.

Het was een luiaardjong. Een baby nog.

Het kopje al onherkenbaar, aangevreten door mieren en wie weet wat meer. De pels wonderlijk intact. Bruin en pluizig, als leefde hij nog. Een tweevingerige luiaard. Net iets groter dan die andere, die we een dik half jaar geleden vonden en naar het rescue centre brachten. (Hij haalde het niet, helaas. Te klein en verzwakt. Misschien zelfs daarom door de moeder verstoten.)
Maar voor deze kwam elke poging te laat.

Ik heb het voorbije jaar redelijk wat dooie beesten gezien. Dus ik ben onderhand al gehard. Maar een dood jong blijft pijnlijk. En wie mijn liefde voor luiaarden een beetje kent, weet dat dit extra moeilijk is.

Ik neem het mezelf kwalijk.

Misschien had ik gisteren wat minder moeten schrijven en wat vaker door de tuin moeten stappen. (Of eergisteren of de dag daarvoor – hoe lang duurt het in de tropen voor een dood beest zo gaat stinken?)
Misschien had ik hem of haar dan horen piepen. Het geluid kan ik wel dromen.
Dan waren we op tijd geweest.

Ik vind dat we hem moeten begraven.

Niet dat ik de gieren hun maaltijd niet gun – ik vrees dat de honden eraan zullen zitten. Om de een of andere reden zijn ze allebei gek op karkassen. Liefst wanneer ze al een paar dagen liggen te rotten en zelfs de gieren er hun neus voor ophalen. Ieder zijn meug.
Maar ze gaan er serieus van uit hun bek stinken.

Net wanneer ik naar huis wandel om een schop te halen, begint het te regenen.
De gieren trekken het zich niet aan. Het zijn er ondertussen drie.
Tegen de tijd dat het opklaart, zullen de sporen zijn gewist.

Teensletsen en een machete

Sinds we 11 maanden geleden naar hier zijn verhuisd, loop ik dagelijks op flipflops. Voor iets anders is het te warm. Op teensletsen dus, of blootvoets.
Veel verschil maakt dat niet. Al is het net iets aangenamer met een zool onder je voeten, als je op een of ander smerig beest trapt of wegglijdt in de modder na een tropische regenbui.
En af en toe draag ik rubberen laarzen.

laarzen en machete

De elegantie zelve

Topje, short, een paar stevige, paarse laarzen en een machete.
Neen, ik post geen foto. U zult het met uw verbeelding moeten doen.
Maar ik kan u verzekeren: het is… spesjaal. Over mijn elegantie maak ik me geen illusies – dat deed ik vóór dit soort outfits ook al niet – maar stoer is het wel. En bovendien is het geen overbodige luxe voor een wandeling door de achtertuin. Meer lezen

5x Bambi

Niet ademen om te overleven

We hadden gehoopt op eentje, of twee. We vonden er vijf. Vijf babyhertjes, waarvan eentje pasgeboren. Het was nog niet eens helemaal droog.

De tegenstelling tussen volwassen herten en hun jongen kan onmogelijk groter zijn. Waar de grotere exemplaren de aandacht trekken door hun snelheid en beweeglijkheid, liggen hun jongen doodstil. Daar hangen hun overlevingskansen van af. Als er gevaar dreigt, vlucht de kudde weg. Wie te klein is om snel te rennen, blijft achter. Onbeweeglijk. Zonder te knipperen. Zonder te kwispelen. Zelfs zonder adem te halen. Tot het gevaar is geweken en de kudde hen weer ophaalt.

Ik had medelijden met de moeders én de jongen. Zoveel angst en stress op een zomerse zondagmorgen. Maar de nieuwsgierigheid was groter.

De kunst van dood spelen

We zijn uiteraard braaf geweest, de Echtgenoot en ik. We hebben ze niet aangeraakt. Alleen een paar foto’s gemaakt van op enkele meters afstand. Ook de baby’s zijn braaf geweest. Ze deden precies wat er van hen verwacht werd: doen alsof ze morsdood waren. Zelfs niet met hun (grote) ogen knipperen en nauwelijks ademen.

Maar bij eentje ging het mis.

4 onbeweeglijke baby’s en 1 hyperkineet

Nummer 5 bleek een hyperkineet. Onbeweeglijk blijven liggen terwijl twee idioten tussen de netels door een foto van je proberen te nemen duurde hem te lang. Dus sprong hij plots op – ik belandde van schrik net niet in de netels – en rende er op hoge, lichtjes scheve pootjes vandoor. Voor een baby ging hij razendsnel. Toch vond ik dat hij een inschattingsfout maakte. Toegegeven: ik had hem onmogelijk kunnen inhalen, maar ik vrees dat het voor een echt roofdier (of een van mijn honden) een eitje was geweest.

Ik hoorde het zijn moeder zo zeggen: Kind. Mijn hart stond stil. Wil je dat nooit meer doen?