De stank komt er van af

Het was alweer een tijdje geleden dat ik nog eens iets postte onder de hashtag racisme. Twee en een half jaar, om precies te zijn. Niet omdat de situatie verbeterd zou zijn – het tegendeel is waar. Maar omdat een mens niet te veel mag zagen. Niet te veel stil moet staan bij de nare dingen des levens. Zichzelf daar niet de hele tijd ziek moet in (laten) maken.

Dat ga ik dus niet doen: zagen.

Ik geef u gewoon een kleine opsomming van de voorbije weken:

  1. De Zoon wordt op 1 week tijd 2 keer gecontroleerd in de lokale supermarkt waar ik al sinds jaar en dag mijn boodschappen doe en nog nooit mijn handtas moest openmaken. Hij moet – in het bijzijn van andere klanten, uiteraard – zijn zakken legen en zijn rugzak tonen. Er wordt niets gevonden. Mijn kind steelt namelijk niet. Niemand anders moet zijn rugzak, handtas of boodschappentas tonen. Er volgen geen excuses. Geen van beide keren.
  2. De Echtgenoot voert de Dochter naar het internaat. Terwijl hij voor de poort staat te wachten tot ze haar valies uit de koffer heeft gehaald, komt er een combi voorbij. Hij rijdt erg traag, en de twee politieagenten staren de Echtgenoot boos aan. Enkele meters verderop maken ze rechtsomkeer en rijden weer erg traag voorbij. En daarna nog een keer. En nog een keer. Want één keer was niet intimiderend genoeg, veronderstel ik.
  3. De jeugdbeweging ziet er geen graten in om kinderen van Maghrebijnse afkomst als ‘Marouf’ te benoemen. Niet enkel in onderlinge gesprekken, maar ook in publicaties voor de ouders. (Een massa andere incidenten vallen buiten de voorbije weken, dus die vertel ik later nog wel eens.)
  4. De Zoon vertrekt naar Gent voor een feestje. Hij heeft zijn properste broek aangetrokken (eentje zonder gaten!) en een hemd. Net voor hij vertrekt checkt hij nog even bij mij of het er goed uitziet: ‘Zo zullen ze mij nu toch niet tegenhouden, zeker?’
  5. De Echtgenoot en ik gaan wandelen. Een oudere dame komt uit de tegenovergestelde richting op het jaagpad. Wanneer ze ons passeert, roept ze: ‘Stank. De stank komt er van af.’

Ja hoor, het is nog steeds erg relatief.

(PS.1 Wie de vorige blogs wil lezen, kan hier, hier, hier en hier terecht.  PS.2 Voor wie mij niet kent: op de foto bij de blogpost hieronder zie je een deel van mijn blijkbaar serieus intimiderend gezin.)

de Man en zijn Zoon

Waarom hij uit die doodlopende straat kwam gereden, wilden de politieagenten weten. Was hij misschien gaan sluikstorten?
Dat hij daar woonde, antwoordde de Man. En neen, hij was niet gaan sluikstorten. Anders had er niet zoveel afval in zijn aanhangwagen gezeten.
Waarom hij dan niet naar het containerpark reed? Dat dat de andere kant op was. En wat had hij bij dat huis te zoeken als hij elders woonde?
Dat hij daar kwam werken, antwoordde de Man. En dat hij helemaal niet naar het containerpark moest. Integendeel. Hij kwam de rest van het afval ophalen, samen met zijn Zoon, die naast hem in de wagen had gezeten.
Dat ze dan wel eens zijn papieren wilden zien. En zijn autopapieren. En controleren of die aanhangwagen van hem was. Want die zou wel eens gestolen kunnen zijn.
Zijn papieren klopten. En noch de auto, noch de aanhangwagen bleken gestolen.

De politieagenten telefoneerden druk over en weer, en overlegden.
Was die aanhangwagen trouwens reglementair?
Nog meer papieren en getelefoneer.
Ook dat bleek in orde.
Of hij dan maar eens wilde blazen?
Ach. Waarom niet.
Maar ook dat bleek in orde. Uiteraard, om half elf morgens.

De politiemannen hadden zich de moeite kunnen besparen. Evenals de rit, waarbij ze de Man waren gevolgd, van de hoek van de doodlopende straat tot aan de woning tien straten verderop. Maar er waren nu eenmaal verdachte dinges gesignaleerd. En dan kun je beter waakzaam zijn. Zeker in een doodlopende straat. En al helemaal bij verdacht uitziende individuen van vreemde origine, zoals de Man en zijn Zoon.

Zo relatief is racisme – deel 3

‘Kijk, ne neger.’

Het nieuwe schooljaar op de nieuwe school was net vier lesuren ver toen de woorden vielen. Ze trok het zich niet bijzonder aan, de Dochter. Ze was ondertussen al het een en ander gewoon. Ze vond het wel nog altijd vervelend. En heel erg fout. Dus ging ze het aan de nieuwe leerkracht melden, onze woorden indachtig dat ze geen schooljaar lang moest wachten om aan de alarmbel te trekken. Die nieuwe leerkracht was vriendelijk en begripvol. Ze verzekerde de Dochter dat de jongen in kwestie zich gewoon interessant wou maken. En dat ze het zeker mocht melden als dat soort dingen in de toekomst herhaaldelijk voorviel of verergerde. Dan zou ze met hem gaan praten.

Oh.

Dat dacht ik toen de Dochter het mij vertelde.

Oh.

Als het herhaaldelijk voorvalt of verergert. Dan zal ze met hem gaan praten. Dat is een hele opluchting!

En voor u begint te zagen: ja, wij willen onze kinderen echt wel weerbaar maken. En neen, wij maken er geen kasplantjes van die bij elke scheet naar de leerkracht rennen. Maar de ervaring heeft ons – tot onze schande – geleerd dat we bij dit soort praktijken niets door de vingers moeten zien. Dat er meteen ingegrepen moet worden. Anders begint ze het schooljaar als ‘vuile bruine’ en eindigt ze als ‘negerinnenbitch’.

Zelf bleef ze er kalm onder. Dat ze niet zwart is, zegt ze. Maar dat ze het eigenlijk niet erg zou vinden om een stukje donkerder te zijn.

Weerbaar, weet u wel?

 

2014-06-07 19.06.02-2

Zo relatief is racisme – deel 2

Ze waren zes en acht en zaten samen op de achterbank. Het was zomer, de zon scheen en we waren klaar voor een lange rit naar het zuiden. Er werd geplaagd en gejend, getrokken en geduwd. Af en toe vloog er een strip, een sandaal of iets onbestemds door de auto. Ik trok het me niet aan. Een kind moet wat, daar op de achterbank.

‘Makak.’
Mijn hoofd sloeg een seconde ongecontroleerd naar links. Een zenuwtrek vanuit mijn nekwervels, waardoor een lichte waas over mijn ogen trok. Ik knipperde. Luisterde.
Het bleef stil.
‘Ma-ka-hak!’
Traag draaide ik me om. Wat ik daarnet had gehoord, vroeg ik, terwijl ik mijn uiterste best deed om mijn stem niet te verheffen. Hoe hij zijn broer had genoemd.
Hij haalde lacherig zijn schouders op en herhaalde gewillig wat hij had gezegd.
Makak.
Niet meer of minder. Hij zei het glimlachend. Lief bijna.
Waar hij dat vandaan had, vroeg ik.
Weer gingen de schouders omhoog.
Van school.
Zo. En van wie dan wel?
Schouders.
Van zijn vrienden. Zijn grote vrienden die hem tijdens de speeltijd opzochten en grapjes met hem maakten.

Het duurde even voor ik de juiste woorden vond om de zesjarige duidelijk te maken dat zijn grote vrienden niet echt vrienden waren. En dat hij dat woord maar beter niet meer in de mond kon nemen.

 

Na de vakantie vertelde ik het voorval aan een andere moeder bij de schoolpoort. Lachend. Zo van ach-je-weet-hoe-kinderen-zijn.
Ze was gechocqueerd.
‘Maar enfin,’ zei ze. ‘En het zijn toch geen makakken, die van u!’

 

Zo relatief is racisme – deel 1

Negerinnenbitch.

Kent u dat woord?

Ik niet, tot gisteren. Toen kreeg de Dochter (11) dat naar het hoofd geslingerd door een leeftijdsgenootje. En er was geeneens een hoogoplopende discussie of ruzie aan voorafgegaan. Even in de weg lopen bij het maken van een selfie was voldoende.

Nu zijn wij wel het een en ander gewend ten huize Flores-Mortier.

Van makak over vuile bruine tot nigger, we hebben het allemaal al meermaals gehad. Het doet zeer, ja. Maar we leren onze kinderen het hoofd rechtop te houden en assertief met dat soort situaties om te gaan. (Anekdotes volgen in een volgende blog!) Het is immers een illusie te hopen dat ze zullen opgroeien in een wereld waar zulke toestanden uit den boze zijn. En ach. Misschien zijn wij zelf ook wel te laks geweest. Misschien hadden we veel eerder, veel vaker en vooral veel harder aan de alarmbel moeten trekken. En misschien zijn we dus op die manier wel medeverantwoordelijk voor het verloederen van de zeden.
Gisteren deden we alsnog een poging tot rechtzetting: de Echtgenoot sprak de ouder van het leeftijdsgenootje aan. Dat bleek niet zo’n slimme zet. Na een verplicht ‘Sorry’ van het kind, kreeg de Dochter nog een sneer van de ouder in kwestie, want ‘zij had vast ook iets lelijks gezegd’.

En daarmee was de kous af.

Maar niet helemaal. Deze morgen volgde er een constructief gesprek met de directie en de schatten van leerkrachten. Mijn aanvankelijke woede (bijzonder groot) en frustratie (zo mogelijk nog groter) zakten tot een aanvaardbaar niveau. De drang om mensen fysiek te lijf te gaan ebt stilaan weg en maakt plaats voor medelijden. Want zeg nu zelf: uit wat voor godvergeten nest moet je komen om zo met mensen om te gaan?

Bij deze een oproep:

laten we lief zijn voor elkander. En mekaar proberen een beetje opvoeding en hoffelijkheid bij te brengen. Bij elke uiting van racisme of onverdraagzaamheid doen we de school (of de ouder) een boek cadeau. Eentje waarin zonder belerend vingertje wordt aangetoond hoe het ook kan. Inspiratie vindt u hieronder. Vul gerust aan!

  • Eefje Donkerblauw | Geert de Kockere & Lieve Baeten | 4+
  • Het heerlijke eiland van Koning Torelore | Sylvaine Hinglais & Tom Schamp | 8+
  • Appartemensen | Dimitri Leue & Tom Schoonooghe | 6+
  • Mensen, mensen wat een mensen! | Peter Spier | 7+
  • Bruin! | Tine Mortier | 8+
  • Ik ben geen racist | Per Nilsson | 15+
  • De witte giraf | Lauren St. John & David Dean | 10+
  • Lara en Rebecca | Kathleen Vereecken | 15+
  • Raak | Mats Wahl | 13+
  • Ik ben Naat! | Joke Guns & Yoeri Slegers | 6+
  • Pek & Veer | Reine De Pelseneer & Joke Van Camp | 6+
  • Faiza is mijn held | Netty Van Kaathoven | 7+
  • Vreemdgaan | Geert De Kockere & Stefanie De Graef | 12+
  • Rood, of waarom pesten niet grappig is | Jan De Kinder | 4+
  • Achter de draad | Hans Kuyper | 11+
  • De aankomst | Shaun Tan | 10+
  • De beer die geen beer was | Frank Tashlin | 4+
  • Sien en Yassin | Brigitte Minne & Erika Cotteleer | 7+
  • de serie ‘Rosie en Moussa’ | Michaël De Cock | Judith Van Istendael | 8+
  • Vuurwerk in mijn hoofd | Roland Colastica | 12+
  • Ravenhaar | Do Van Ranst | 11+

 

bruin