De geur van Indische pap

Ik mocht vandaag nog eens gaan workshoppen. En alsof dat niet leuk genoeg was, was het ook nog in Gent te doen. Creatief schrijven met een groep anderstalige nieuwkomers, in een prachtig decor.

Juij!

Toch was ik een beetje nerveus. Er spookten allerlei vragen en rampscenario’s door mijn hoofd, waarvan het leeuwendeel te maken had met mijn eigen ongeorganiseerde en chaotische zelf. (Zal ik niet verdwalen op zoek naar een parkeerplaats in Gent? Slaag ik erin om tegen het afgesproken tijdstip het juiste lokaal te vinden, in een gebouw dat een volledig straatblok beslaat? Hoe werken die f***ing ticketautomaten ook alweer en waarom heb ik geen kleingeld in mijn zakken? Zal ik erin slagen om niet al te snel te spreken en niet te druk met mijn armen te zwaaien, zodat de cursisten mij verstaan?)

Maar kijk: het lukte wonderwel.

Ik kwam ruim op tijd aan, reed met mijn ogen dicht (bij wijze van spreken, uiteraard!) in een van de vele vrije parkeerplaatsen, slaagde erin om een app te downloaden en alsnog een parkeerticket te betalen en liep vervolgens recht op het betreffende lokaal af. Het leek begot alsof ik dit dagelijks deed.

De (on)zin van voorbereiding.

Ik had van alles voorbereid: materiaal en oefeningen voor minstens drie workshops. Het bleek niet nodig. Deze groep had aan een half woord genoeg om te schrijven. We begonnen met een zelfportret in vijf woorden en een zin, en een uur later zaten we middenin verhalen over vrouwenrechten, Belgische bierproeverijen, de geur van Indische pap en liefdesbrieven in opdracht.

Bij het afscheid werd ik bedankt – ze vroegen lachend wanneer de volgende les was. Maar ik wist wel beter: ik had meer van hen geleerd dan omgekeerd. Sommige mensen moet je niet leren schrijven.

Ze worden als dichter geboren.

Neerwaartse hond

Gisterenmorgen was zonder twijfel het spannendste moment van de week: zou ik uit mijn bed raken of niet? En indien ja: op welke manier?

Ik was een dag eerder namelijk voor het eerst naar de yogales geweest. Om 7u ’s morgens, om precies te zijn. Gezien de rit naar de yogaplek 25 minuten bedroeg, betekende dat om 5u50 opstaan. Jep. U leest het goed. VIJF. UUR. VIJFTIG. Oftewel: tien voor zes. Op een vrije ochtend. Als de knoop eenmaal doorgehakt is, laat ik mij niet afschrikken door iets onnozels als een ontiegelijk vroeg uur.

Ik zou u de hele yogales in detail kunnen beschrijven.

Maar er gebeurde zo veel, dat ik eerlijk gezegd niet precies meer weet wat. Behalve dit: we hebben gezoemd. Én het was een stuk lastiger dan ik had gedacht. Dat laatste ligt uiteraard uitsluitend aan mij. Ik was er immers van overtuigd
1. dat er meer gemediteerd dan bewogen zou worden
2. dat al die poses nu ook zó vreselijk moeilijk niet konden zijn – heel instagram staat er immers vol mee
3. dat ik er dankzij mijn lichte hypermobiliteit geen moeite mee zou hebben om mij in vreemde bochten te wringen.
Dat viel dik tegen.
Maar voor de rest viel het ontzettend goed mee.

Het was (op een lastige manier) prettig

– al zal het nog even duren eer ik de neerwaartse hond als een ontspannende pose kan zien. Ik had de rest van de dag veel meer energie dan anders en de spierpijn bleek de volgende ochtend inderdaad peanuts, net zoals de redelijk fantastische yogi-Vanessa mij had voorspeld. Zodat ik uiteindelijk probleemloos en net even elegant als andere dagen uit bed rolde. Ik kijk er dus ontzettend naar uit om volgende week opnieuw te gaan.

Én! Er zijn nog plaatsen vrij. Hoera hoera! Info vind je hier.
Tot volgende week?

 

 

 

 

Piepkleine stukjes Poeh

De Zoon had zijn kamer opgeruimd – een heuglijke gebeurtenis voorwaar! Er kwamen grove middelen aan te pas. Op enkele uren tijd passeerden ettelijke vuilniszakken de revue en de stapel weg-te-gooien werd allengs groter.

Zelfs de oude Winnie de Poeh moest eraan geloven.

Samen met de andere dinges-die-een-herbestemming-van-doen-hadden, werd hij voorlopig op het keukenterras gedumpt. Het duurde niet lang. Welgeteld de tijd die de pup nodig had om recht te krabbelen en de drie meter te overbruggen die hem van het teddybeest scheidden.

Nu zou je verwachten dat een hond na pakweg 16 maanden al iets minder destructief zou zijn. Dat hij Poeh bijvoorbeeld als een knuffel zou beschouwen. Eraan snuffelen. Likken. Misschien heel even in bijten – voorzichtig.

Maar niets van dat.

De prooi moest dood. Morsdood.

Wat ooit een Poeh-beer was, werd herleid tot een onoverzichtelijke hoop vuile pluis. En de Zoon kon herbeginnen. Het kostte hem een half uur om de tuin te ontdoen van piepkleine plukjes Poeh.

Bananenbladeren

Ik kocht een paraplu.

Dat is geen opzienbarend nieuws, ik weet het. Vooral niet in het licht van de aanzienlijke hoeveelheden paraplu’s die ik in mijn leven al heb gekocht, uitgeleend, verloren, stukgemaakt of domweg achtergelaten.

En toch denk ik dat het met deze anders zal zijn.

Want! Het is er eentje van bananenbladeren.

Niet echt, natuurlijk. Het is gewoon drukwerk. Maar zeg nu zelf: een regenachtige dag wordt er op slag een stuk vrolijker door. (En hij doet mij ook denken aan Latijns-Amerika. Wat altijd een plus is!)

Braaf geweest

Ze hadden trouwens nog massa’s andere leuke spullen in de Vreemde Eend. Tassen, schriften, juweeltjes, speelgoed, schalen, thee, pennenzakken, brooddozen en nog veel meer. Ik ben braaf geweest en heb mij aan het plan gehouden. Één paraplu. Dat was wat ik zou kopen. Niet meer en niet minder.

En een stuk of wat kaartjes, een T-shirt en een pak chocolade.

Wat nog steeds een prestatie is, een zo’n winkel. Want mensen, kijk eens wat ik allemaal níet heb meegebracht! Ik ben dus best trots op mezelf.

Radioactief

Ik moest deze middag een botscan.

De aanleiding daarvoor was mijn zere voet, die er een dikke week geleden voor zorgde dat ik als (schrappen wat niet past) diva / rockster-op-rust / oud-wijf in een rolstoel door de luchthavens van San José en Ciudad de México racete. Daarom kreeg ik deze morgen een injectie ter voorbereiding.

Ik zou voor de rest van de dag radioactief zijn, wist de verpleegster mij te vertellen.

Ik moest giechelen.

Superkrachten

Of ik speciale krachten zou krijgen, wilde ik vragen.

Iets Spider-Man-achtigs, zodat ik aan muren bleef kleven of spinnenrag uit mijn handpalmen kon laten komen. Maar ik durfde niet. Ze had dat soort flauwe mopjes vast al vaker gehoord.

Beetje speciaal

Toch voelde ik mij anders dan gewoonlijk toen ik naar huis reed. Ik was er vast van overtuigd dat mijn zintuigen meer op scherp stonden dan op een doorsneedag. Dat ik opeens veel beter zag, hoorde en ruikte. Nuclear woman, zoiets.

Het zou mij niet verwonderen als ik vannacht licht ga geven. En ga vliegen.

U weet dus wat het is, als u straks iets vreemds aan de nachtelijke einder ontwaart.

 

 

 

Niet v.rijden!

Ik heb een haat-liefdeverhouding met transport. Dat bleek nog maar eens deze morgen. Ter info: de fout lag niet bij mij! Het was allemaal de schuld van mijn wagen. En van de trein, de wegomlegging en de flikkerende lichtjes. Die ook, natuurlijk.
– Auto’s haten mij –

Dat is een boude uitspraak, maar van boud is nog geen vlieg doodgegaan. En bovendien kan ik het bewijzen:

  • Het is balen, maar ik val op auto’s die niet bij mijn budget passen. Als in: er zijn te veel kosten aan, ze verbruiken te veel, ze zijn te groot, te klein, te opvallend, te onopvallend, te welk-zinnig-mens-zou-daar-ooit-mee-rijden… Alle andere (lees: functionele) auto’s vind ik gewoon lelijk. Of volslagen oninteressant. En dat is nog erger.
  • De knopjes op of rond het dashboard zitten nooit op de juiste plek. Serieus. Moet werkelijk álles op de minst logische plaats zitten? Of in een of ander hoekje waar ik nooit ga kijken? Is dat niet gevaarlijk? Tegen de tijd dat ik alles heb gevonden is een accident niet uit te sluiten. (Ooit heb ik in een vreselijke colère naar de Echtgenoot gebeld vanuit het tankstation. Hoe ik in godsnaam moest tanken met zijn wagen als ik dat ding niet openkreeg. Bleek er een knopje ergens verstopt te zitten. Duh.)
  • De gps heeft streken in mijn nabijheid. Niet zo bij andere mensen – die raken vreemd genoeg altijd op hun bestemming. Alleen míj stuurt hij om mysterieuze redenen steeds de verkeerde kant op.
  • De autogordel snijdt in mijn nek.
  • De lichtjes op of rond het dashboard flikkeren op de meest ongelukkige momenten. Zoals vandaag, bijvoorbeeld. Terwijl het toch wel duidelijk was Dat Ik Ergens Moest Zijn!
– Het verkeer haat mij –

Het bewijs daarvoor werd ook deze morgen geleverd, terwijl ik mij – ruim op tijd en met flikkerende lichtjes op het dashboard en al – richting station begaf. Plots dook er een wegomlegging op. Baf! Uit het niets. En de gps had streken. Waardoor ik uiteraard de trein op een haar na miste.

En dus ook mijn afspraak. Want in normale omstandigheden zou ik – nadat ik de trein in de verte zag verdwijnen – vloekend terug naar mijn auto stappen, het adres in de gps invoeren en vertrekken. Maar dat kon vandaag niet. Door die f***ing flikkerende lichtjes! Te weinig remvloeistof – niet v.rijden – stond er te lezen. Ik pijnigde mijn hersenen. Niet verder rijden? Niet vlug rijden? Niet vandaag, vervelend, of vurig rijden? Niet vlot en gezwind? Niet via Brussel?

– Ik ben uiteindelijk maar naar de garage gereden –

Zo kon ik in elk geval niet verkeerd rijden. Mijn welgemeende excuses aan al wie mij op de vergadering had verwacht. De volgende keer kom ik te voet!

P.S.

Nu ik eraan denk: ook files haten mij. Want mijn rijvak gaat zonder uitzondering trager dan alle andere. (Wat mij doet vermoeden dat ook de kassa’s van de supermarkt niet gek op mij zijn.)

 

Ne frak van een Dutske sarze

Tot een jaar geleden wist ik nauwelijks wat een podcast was. Ik ben er nog steeds niet in thuis, maar ik durf er af en toe wel eentje te beluisteren. En dit is een specialleke. Gemaakt door een vriendin, en met bijdrages van de Dochter en mijn jonge en minder jonge cursisten.

Waarom u dit gewoon móet horen:

Omdat het gaat over naaimachines die zichzelf terugverdienen, over meisjes die op hun elfde andermans huishouden deden en over vluchten voor de bommen in je bloot gat. Over plooirokskes op de kostschool, vechten voor lange broeks voor ’t vrouwvolk, olifantenpijpen en laqué schoenen. Over flashy fluovesten, ontplofte froufrous, epauletten en kakbroeken.

En omdat de dingen au fond net iets minder veranderen dan u had gedacht.

Luisteren kan hier.

 

 

De jeugd van tegenwoordig

Ik was dit weekend op een feestje waar weinig foto’s van bestaan. Misschien wel geen, als je die donkere, onscherpe afdruk van mij hieronder buiten beschouwing laat. Dat zijn de beste feestjes, trouwens, wanneer iedereen het te druk heeft met zich te amuseren.

Ik kan u dus geen beelden laten zien

van hoe man en kinders hun spierballen lieten rollen om de partytent in de weide op te zetten. Hoe de vrienden van de Zoon met zware bakken vol platen, platendraaiers, kabels en boxen (Neen, moeder. Dat is een sound. Een sound!) kwamen aansleuren, met als indrukwekkend resultaat dat we ons de hele avond op ons eigenste privéfestival waanden. Hoe de buren hielpen met het koelen van drank, het lenen van stoelen en tafels en laat op de avond nog een pint kwamen meedrinken. Hoe een van de jongens tussendoor een uurtje of twee in onze woonkamer kwam zitten om te studeren voor zijn laatste examen de dag erna. Hoe een publiek van een 40-tal voornamelijk 15- tot 24-jarigen tot laat in de nacht rond het vuur zat te chillen en op klokslag middernacht de Echtgenoot kwam feliciteren met zijn verjaardag – ook al was het niet zijn feest, maar dat van de Zoon. U zult mij op mijn woord moeten geloven.

Ze kwamen van overal

– van Avelgem en Gent, van Brazilië en Ecuador, van Marokko en Zottegem –, ze hadden netjes knipte haren of gigantische dreads, ze droegen merkkledij of gescheurde broeken, studeerden of werkten. En ze waren stuk voor stuk fantastisch. Ze deelden hun drank, tenten en sigaretten, liepen verloren op weg naar de pittazaak en stapelden zich dankbaar in dubbele rijen op de achterbank van mijn autootje toen ze werden opgepikt. Ze trokken hun natte schoenen uit voor ze ’s morgens het huis binnen kwamen nadat een van hun tenten onder water was gelopen en waren dankbaar voor een droge trui en sokken. Ze maakten geen puinhoop van de weide, van de toiletten of ons huis, en lieten alles netjes achter. Ik had alleen gehoopt dat ze iets meer honger zouden hebben bij het ontbijt. (Echt waar, gasten. Ik heb nog overschot voor dágen!)

Het gaat dus wel goed met de jeugd van tegenwoordig,

als u het mij vraagt. Alvast met het deel dat met mijn kinderen bevriend is en dit weekend hier passeerde. Waarvoor dank. Ik hoop van harte dat er nog dergelijke feestjes zullen volgen. Als jullie beloven de volgende keer alle croissants op te eten.

 

 

Vrijheid

Er zijn van die plekken die je het liefst voor jezelf zou houden – mooi, gezellig, lekker en nog zoveel meer. Dan deel je die liever niet met de hele wereld. En toch. Als ik zie hoe de mensen achter De Vrijheid hun zaak met hart en ziel uitbaten, dan kan ik niet anders dan wat reklaam maken.

Het interieur is op zijn zachtst gezegd origineel, creatief en hip. De verlichting bestaat uit gerecupereerde vinkenkooien, drums en een Christus met een gloeilamp in zijn mond (serieus! zie foto). Kleuren die u zelf nooit zou durven combineren, gooien ze hier zonder schrik en met het grootste gemak op een hoopje, en het werkt bijzonder aanstekelijk. Om het toilet te bereiken moet je door een soort kastdeur stappen, en de heerlijke tapas serveren ze op een dakpan. Zei ik al dat ze origineel zijn? En voor de prijs hoef je het ook al niet te laten. Bovendien is er elke 2e en 4e zondag van de maanden mei tot en met september een gezellige rommelmarkt in de straten en het parkje vlakbij. Daar kochten wij voor een appel en een ei een schaakbord en een nieuwe portie leesvoer.

Voor dit soort (eet)café, beste hipsters, zou u in pakweg Gent tot buiten moeten aanschuiven. En Ronse is nu ook weer niet zó ver. Dus allen daarheen. (En hou een stoel voor mij vrij!)

de Man en zijn Zoon

Waarom hij uit die doodlopende straat kwam gereden, wilden de politieagenten weten. Was hij misschien gaan sluikstorten?
Dat hij daar woonde, antwoordde de Man. En neen, hij was niet gaan sluikstorten. Anders had er niet zoveel afval in zijn aanhangwagen gezeten.
Waarom hij dan niet naar het containerpark reed? Dat dat de andere kant op was. En wat had hij bij dat huis te zoeken als hij elders woonde?
Dat hij daar kwam werken, antwoordde de Man. En dat hij helemaal niet naar het containerpark moest. Integendeel. Hij kwam de rest van het afval ophalen, samen met zijn Zoon, die naast hem in de wagen had gezeten.
Dat ze dan wel eens zijn papieren wilden zien. En zijn autopapieren. En controleren of die aanhangwagen van hem was. Want die zou wel eens gestolen kunnen zijn.
Zijn papieren klopten. En noch de auto, noch de aanhangwagen bleken gestolen.

De politieagenten telefoneerden druk over en weer, en overlegden.
Was die aanhangwagen trouwens reglementair?
Nog meer papieren en getelefoneer.
Ook dat bleek in orde.
Of hij dan maar eens wilde blazen?
Ach. Waarom niet.
Maar ook dat bleek in orde. Uiteraard, om half elf morgens.

De politiemannen hadden zich de moeite kunnen besparen. Evenals de rit, waarbij ze de Man waren gevolgd, van de hoek van de doodlopende straat tot aan de woning tien straten verderop. Maar er waren nu eenmaal verdachte dinges gesignaleerd. En dan kun je beter waakzaam zijn. Zeker in een doodlopende straat. En al helemaal bij verdacht uitziende individuen van vreemde origine, zoals de Man en zijn Zoon.