Het geluid van de schaar bij je oor

De Dochter heeft mijn haar geknipt.

Dat komt zo: een paar weken geleden had ik een afspraak bij de kapper. Om te knippen en te kleuren. Maar ik voelde me een beetje ziek die ochtend, dus belde ik af. Het is ook niet zó dringend, dacht ik daarbij. En dat ik het nog wel heel even kon houden, met dat onverzorgde hoofd van mij.

Nou. Dat viel tegen.
Omdat we binnenkort op reis vertrekken, gingen we gisteren wat inkopen doen – iets waar ik telkens ontzettend tegenop kijk. Te drukke winkels, te krappe pashokjes en kleren die niet passen. Alle ingrediënten voor een namiddagje vol frustratie. Voeg daarbij nog een hoofd dat eruit ziet alsof er vlakbij een voetzoeker is afgegaan, en het plaatje is compleet.

Gelukkig was daar mijn dochter.
Zij bood spontaan aan om mijn haar te knippen.
Ja, ze is pas veertien en neen, ze heeft geen ervaring, laat staan een kappersopleiding. Dus inderdaad: het was behoorlijk spannend. Vooral op de momenten toen ze aan mijn achterhoofd bezig was en ik niets kon zien in de spiegel. En toen ze met de schaar net iets te dicht bij mijn oor kwam, waardoor het leek of dat knippende geluid dwars door mijn vel en ín mijn schedel ging.

Een beetje zoals die keer dat ik een tuurlijk-wil-ik-je-haar-knippen-ik-kan-dat-wel-momentje had. En ik in de Zoon zijn oor sneed, een jaar of vijftien geleden. Het bloedde verschrikkelijk en hij heeft er nog steeds een ieniemienie klein litteken van. Ik had gehoopt dat hij te jong was om het onthouden te hebben maar helaas. Dat is de reden waarom ik wél de Dochter laat knippen en niet de Zoon.

Maar het kapsel is wonderwel gelukt!

P.S. Bij dit verhaal hoort een schrijfopdracht. Eentje van de vele, waarvoor je je kunt inschrijven op de nieuwsbrief. Wil jij die ook wekelijks in je brievenbus ontvangen? Dan kun je hier inschrijven! Wel even doorscrollen naar onderaan de pagina. Ik heb namelijk niet minder dan 3 (DRIE!) nieuwsbrieven 😉

 

Uit de bocht

Ik was te laat vertrokken.
Dat gebeurt wel vaker, en het is nooit een goed plan. Erg snel rijden doe ik gelukkig al een tijdje niet meer – de te zware voet behoort tot een ver en roekeloos verleden – maar mezelf opjutten als een (stress)kip zonder kop kan ik nog steeds als de beste. Gelukkig was de Dochter mee om me enigszins te kalmeren. Ik had ook reden om op tijd te willen komen. Er is immers niet elke dag een tentoonstelling van een van je favoriete illustratoren op een boogscheut van je eigen huis.

Bert Dombrecht is de max. En dat zeg ik niet alleen omdat we samen een boek hebben gemaakt. Dat zegt iedereen met ogen in zijn of haar hoofd. Bert kan namelijk tekenen. En schilderen. En hij heeft meer humor in zijn kleine teen dan u en ik en nog vijfendertig andere mensen samen. En hij doet daar erg chill over. Zo chill, dat het bijna niet meer normaal is. Want kijk eens, mensen. Kijk eens wat Bert maakt!

Enfin.
Ik zou daar behoorlijk lyrisch over kunnen doen. Ik heb dat ook gedaan, deze voormiddag. Denk ik. Want zoals ik al zei, liep ik nogal gestresseerd rond. En het enige wat daartegen helpt – bij mij althans – is praten. Als een kieken zonder kop. Totaal uit de bocht. Gelukkig bracht de Dochter mij op een bepaald ogenblik een glas wijn. Dat helpt ook, want terwijl ik drink kan ik niet praten.

Maar wat ik eigenlijk wou zeggen: het was een erg mooie tentoonstelling, daar in Zwevegem. Met originele schilderijen, hoezen van albums, boeken en gitaren. En de allermooiste schetsboekjes. Bovendien verkoopt Bert – heel uitzonderlijk! want Bert verkoopt meestal niks niemendal (behalve de boeken, natuurlijk) – beperkte oplages van zijn werk. Vraag ernaar in de bib. Zij zullen u graag helpen. Al zult u volgens mij snel moeten zijn.

Nog tot 11 november in de bibliotheek van Zwevegem.
’t Is graag gedaan.

 

Penhuis

Ik weet niet hoeveel kaartjes er beschikbaar waren, maar ze waren allemaal verkocht. Een vol (Pen)huis! En dat op een zondagmorgen om 10u30.

Dat is ook logisch: niemand minder dan Connie Palmen werd er geïnterviewd door Yves Van Durme. Het was een fijn gesprek, met mooie inzichten in haar werkethiek (‘Discipline is het allerbelangrijkste.’ Dankjewel daarvoor, Connie. En: ziejewel, cursisten?), haar relativeringsvermogen (‘Kritische recensies doen me niets. Dat heb ik te danken aan mijn arrogantie.’) en haar relatie met het publiek (‘Direct contact is niet de bedoeling.’).
Er werd best veel gelachen, ook al ging het vaak over erg pijnlijke zaken.
Eerlijk: ik las al een paar boeken van Palmen, en ik bewonder haar zeer. Ik had wel een vermoeden dat ze gevoel voor humor had. Maar ik wist niet dat ze zó grappig was.

Bovendien was ook het kader erg aangenaam. De oude oranjerie aan de Broelkaai is een prachtig decor, dat het midden houdt tussen gracieus verval en aangename restauratie. Alleen de geluidsinstallatie liet het afweten – na minutenlang gezoem en talloze ijdele interventies besloten de sprekers het gesprek zonder microfoons voort te zetten. Het merendeel van het publiek hoorde alsnog wat er werd gezegd. Behalve blijkbaar de dame schuin achter mij, die alle belangrijke quotes nog eens (vreselijk) luid door haar buurvrouw liet herhalen. En er vervolgens commentaar op gaf.

Maar goed.
Aan het lezen nu. Ik zit immers halfweg ‘De Wetten’ en ook ‘Jij zegt het’ ligt al te lonken. En dan is er nóg zoveel moois dat wacht om gelezen te worden.

 

De geur van Indische pap

Ik mocht vandaag nog eens gaan workshoppen. En alsof dat niet leuk genoeg was, was het ook nog in Gent te doen. Creatief schrijven met een groep anderstalige nieuwkomers, in een prachtig decor.

Juij!

Toch was ik een beetje nerveus. Er spookten allerlei vragen en rampscenario’s door mijn hoofd, waarvan het leeuwendeel te maken had met mijn eigen ongeorganiseerde en chaotische zelf. (Zal ik niet verdwalen op zoek naar een parkeerplaats in Gent? Slaag ik erin om tegen het afgesproken tijdstip het juiste lokaal te vinden, in een gebouw dat een volledig straatblok beslaat? Hoe werken die f***ing ticketautomaten ook alweer en waarom heb ik geen kleingeld in mijn zakken? Zal ik erin slagen om niet al te snel te spreken en niet te druk met mijn armen te zwaaien, zodat de cursisten mij verstaan?)

Maar kijk: het lukte wonderwel.

Ik kwam ruim op tijd aan, reed met mijn ogen dicht (bij wijze van spreken, uiteraard!) in een van de vele vrije parkeerplaatsen, slaagde erin om een app te downloaden en alsnog een parkeerticket te betalen en liep vervolgens recht op het betreffende lokaal af. Het leek begot alsof ik dit dagelijks deed.

De (on)zin van voorbereiding.

Ik had van alles voorbereid: materiaal en oefeningen voor minstens drie workshops. Het bleek niet nodig. Deze groep had aan een half woord genoeg om te schrijven. We begonnen met een zelfportret in vijf woorden en een zin, en een uur later zaten we middenin verhalen over vrouwenrechten, Belgische bierproeverijen, de geur van Indische pap en liefdesbrieven in opdracht.

Bij het afscheid werd ik bedankt – ze vroegen lachend wanneer de volgende les was. Maar ik wist wel beter: ik had meer van hen geleerd dan omgekeerd. Sommige mensen moet je niet leren schrijven.

Ze worden als dichter geboren.

Neerwaartse hond

Gisterenmorgen was zonder twijfel het spannendste moment van de week: zou ik uit mijn bed raken of niet? En indien ja: op welke manier?

Ik was een dag eerder namelijk voor het eerst naar de yogales geweest. Om 7u ’s morgens, om precies te zijn. Gezien de rit naar de yogaplek 25 minuten bedroeg, betekende dat om 5u50 opstaan. Jep. U leest het goed. VIJF. UUR. VIJFTIG. Oftewel: tien voor zes. Op een vrije ochtend. Als de knoop eenmaal doorgehakt is, laat ik mij niet afschrikken door iets onnozels als een ontiegelijk vroeg uur.

Ik zou u de hele yogales in detail kunnen beschrijven.

Maar er gebeurde zo veel, dat ik eerlijk gezegd niet precies meer weet wat. Behalve dit: we hebben gezoemd. Én het was een stuk lastiger dan ik had gedacht. Dat laatste ligt uiteraard uitsluitend aan mij. Ik was er immers van overtuigd
1. dat er meer gemediteerd dan bewogen zou worden
2. dat al die poses nu ook zó vreselijk moeilijk niet konden zijn – heel instagram staat er immers vol mee
3. dat ik er dankzij mijn lichte hypermobiliteit geen moeite mee zou hebben om mij in vreemde bochten te wringen.
Dat viel dik tegen.
Maar voor de rest viel het ontzettend goed mee.

Het was (op een lastige manier) prettig

– al zal het nog even duren eer ik de neerwaartse hond als een ontspannende pose kan zien. Ik had de rest van de dag veel meer energie dan anders en de spierpijn bleek de volgende ochtend inderdaad peanuts, net zoals de redelijk fantastische yogi-Vanessa mij had voorspeld. Zodat ik uiteindelijk probleemloos en net even elegant als andere dagen uit bed rolde. Ik kijk er dus ontzettend naar uit om volgende week opnieuw te gaan.

Én! Er zijn nog plaatsen vrij. Hoera hoera! Info vind je hier.
Tot volgende week?

 

 

 

 

Tien dingen die ik haat aan schrijven

Het was een schrijfopdracht voor mijn cursisten Literaire Creatie, bij wijze van kennismaking. Ze zouden 10 dingen oplijsten die ze haten aan schrijven. En nog eens 10 die ze haten aan nÍet schrijven. Ah ja. Kwestie van een en ander duidelijk te maken.

Makkelijk zat, dacht ik. Die liefde-haatverhouding met het lege blad, daar worstelt elke schrijver toch mee?

Dus deed ik de oefening.

(Een van mijn talloze goede voornemens voor het nieuwe schooljaar: alle schrijfopdrachten die ik uit mijn mouw schud, ook zelf doen. Kwestie van kilometers te maken, vingers los te gooien en conditie zitvlees te kweken.) Het bleek minder simpel dan gedacht.

Tien dingen die ik haat aan schrijven
  1. Dat ik het niet kan laten. Dat ik ermee opsta en ga slapen, waardoor het lijkt alsof niets anders telt. Behalve lezen dan. En de Echtgenoot en de Kinders. Die ook, natuurlijk.
  2. Dat ik sneller denk dan ik kan tikken, maar soms ook sneller tik dan ik kan denken. En dat geen van beide in mijn ogen ooit snel genoeg gaat, hoewel ik sneller tik dan mijn schaduw. Bij wijze van spreken.
  3. Dat ik krmap krijg en fouten tik. Die ik dan moet verbeteren – obsessief en uiteraard het liefst meteen, waardoor die hele schrijfflow ook weer om zeep is.
  4. Dat het lekker lui werken is aan mijn bureau, maar dat ik er bepaald niet slanker of fitter van word. En mijn rug heeft er ook geen baat bij.
  5. Dat ik niet in bad /bed/op de loopband kan schrijven, terwijl dat voor mijn rug en mijn lijn een stuk beter zou zijn. En ja, ik heb het geprobeerd. De ene optie was bijzonder oncomfortabel, de andere twee ronduit levensgevaarlijk. Ik heb er nog altijd ergens littekens van.
  6. Dat het nooit af is. Er is altijd wel een komma te veel of te weinig, een woord waarvan ik weet dat het eigenlijk nog beter, nog preciezer zou kunnen of een zin die nog een beetje rammelt. En dat het daardoor nooit goed genoeg is en er altijd wel iets blijft knagen.
  7. Dat ik het elke dag opnieuw moet doen, omdat ik het anders verleer. Terwijl ik er op sommige dagen gewoon echt en helemaal geen f***ing  zin in heb! (Net zoals ik helemaal verzot ben op chocolade, en toch ook niet elke dag een hele reep… Hm. Neen, laat maar. Die vergelijking gaat niet op.)
  8. Dat ik er andere dingen voor moet laten, zoals daar zijn: een nachtje stevig doorzakken, uitgebreid gaan winkelen, nieuwe series binge-watchen op de Netflix van de Zoon of veel meer lezen dan ik nu al doe.
  9. Dat mijn hoofd overloopt van verhaallijnen, personages en mooie zinnen, omdat ik ze nooit op tijd geschreven krijg.
  10. Dat ik het ontzettend moeilijk vind om alles onder 10 punten te verzamelen.
Tien dingen die ik haat aan níet schrijven
  1. Dat ik het niet kan laten. Dat ik ermee opsta en ga slapen. Vooral wanneer ik het níet doe. Dan is het nog net een tikje erger.
  2. Dat ik er zenuwachtig van word en uiterst onaangenaam. Totaal niet te genieten. Vraag maar aan de Echtgenoot en de Kinders.
  3. Dat mijn hoofd na een paar schrijfstille weken wel een toevluchtsoord lijkt voor ontsnapte personages en gestoorde plotlijnen. En dat ik daarin verdwaal.
  4. Dat ik niet eens aan tien dingen raak, verdomme.

Terwijl níet schrijven toch echt veel erger is dan wél schrijven.

Gelukkig maar.

Piepkleine stukjes Poeh

De Zoon had zijn kamer opgeruimd – een heuglijke gebeurtenis voorwaar! Er kwamen grove middelen aan te pas. Op enkele uren tijd passeerden ettelijke vuilniszakken de revue en de stapel weg-te-gooien werd allengs groter.

Zelfs de oude Winnie de Poeh moest eraan geloven.

Samen met de andere dinges-die-een-herbestemming-van-doen-hadden, werd hij voorlopig op het keukenterras gedumpt. Het duurde niet lang. Welgeteld de tijd die de pup nodig had om recht te krabbelen en de drie meter te overbruggen die hem van het teddybeest scheidden.

Nu zou je verwachten dat een hond na pakweg 16 maanden al iets minder destructief zou zijn. Dat hij Poeh bijvoorbeeld als een knuffel zou beschouwen. Eraan snuffelen. Likken. Misschien heel even in bijten – voorzichtig.

Maar niets van dat.

De prooi moest dood. Morsdood.

Wat ooit een Poeh-beer was, werd herleid tot een onoverzichtelijke hoop vuile pluis. En de Zoon kon herbeginnen. Het kostte hem een half uur om de tuin te ontdoen van piepkleine plukjes Poeh.

Bananenbladeren

Ik kocht een paraplu.

Dat is geen opzienbarend nieuws, ik weet het. Vooral niet in het licht van de aanzienlijke hoeveelheden paraplu’s die ik in mijn leven al heb gekocht, uitgeleend, verloren, stukgemaakt of domweg achtergelaten.

En toch denk ik dat het met deze anders zal zijn.

Want! Het is er eentje van bananenbladeren.

Niet echt, natuurlijk. Het is gewoon drukwerk. Maar zeg nu zelf: een regenachtige dag wordt er op slag een stuk vrolijker door. (En hij doet mij ook denken aan Latijns-Amerika. Wat altijd een plus is!)

Braaf geweest

Ze hadden trouwens nog massa’s andere leuke spullen in de Vreemde Eend. Tassen, schriften, juweeltjes, speelgoed, schalen, thee, pennenzakken, brooddozen en nog veel meer. Ik ben braaf geweest en heb mij aan het plan gehouden. Één paraplu. Dat was wat ik zou kopen. Niet meer en niet minder.

En een stuk of wat kaartjes, een T-shirt en een pak chocolade.

Wat nog steeds een prestatie is, een zo’n winkel. Want mensen, kijk eens wat ik allemaal níet heb meegebracht! Ik ben dus best trots op mezelf.

Radioactief

Ik moest deze middag een botscan.

De aanleiding daarvoor was mijn zere voet, die er een dikke week geleden voor zorgde dat ik als (schrappen wat niet past) diva / rockster-op-rust / oud-wijf in een rolstoel door de luchthavens van San José en Ciudad de México racete. Daarom kreeg ik deze morgen een injectie ter voorbereiding.

Ik zou voor de rest van de dag radioactief zijn, wist de verpleegster mij te vertellen.

Ik moest giechelen.

Superkrachten

Of ik speciale krachten zou krijgen, wilde ik vragen.

Iets Spider-Man-achtigs, zodat ik aan muren bleef kleven of spinnenrag uit mijn handpalmen kon laten komen. Maar ik durfde niet. Ze had dat soort flauwe mopjes vast al vaker gehoord.

Beetje speciaal

Toch voelde ik mij anders dan gewoonlijk toen ik naar huis reed. Ik was er vast van overtuigd dat mijn zintuigen meer op scherp stonden dan op een doorsneedag. Dat ik opeens veel beter zag, hoorde en ruikte. Nuclear woman, zoiets.

Het zou mij niet verwonderen als ik vannacht licht ga geven. En ga vliegen.

U weet dus wat het is, als u straks iets vreemds aan de nachtelijke einder ontwaart.

 

 

 

Niet v.rijden!

Ik heb een haat-liefdeverhouding met transport. Dat bleek nog maar eens deze morgen. Ter info: de fout lag niet bij mij! Het was allemaal de schuld van mijn wagen. En van de trein, de wegomlegging en de flikkerende lichtjes. Die ook, natuurlijk.
– Auto’s haten mij –

Dat is een boude uitspraak, maar van boud is nog geen vlieg doodgegaan. En bovendien kan ik het bewijzen:

  • Het is balen, maar ik val op auto’s die niet bij mijn budget passen. Als in: er zijn te veel kosten aan, ze verbruiken te veel, ze zijn te groot, te klein, te opvallend, te onopvallend, te welk-zinnig-mens-zou-daar-ooit-mee-rijden… Alle andere (lees: functionele) auto’s vind ik gewoon lelijk. Of volslagen oninteressant. En dat is nog erger.
  • De knopjes op of rond het dashboard zitten nooit op de juiste plek. Serieus. Moet werkelijk álles op de minst logische plaats zitten? Of in een of ander hoekje waar ik nooit ga kijken? Is dat niet gevaarlijk? Tegen de tijd dat ik alles heb gevonden is een accident niet uit te sluiten. (Ooit heb ik in een vreselijke colère naar de Echtgenoot gebeld vanuit het tankstation. Hoe ik in godsnaam moest tanken met zijn wagen als ik dat ding niet openkreeg. Bleek er een knopje ergens verstopt te zitten. Duh.)
  • De gps heeft streken in mijn nabijheid. Niet zo bij andere mensen – die raken vreemd genoeg altijd op hun bestemming. Alleen míj stuurt hij om mysterieuze redenen steeds de verkeerde kant op.
  • De autogordel snijdt in mijn nek.
  • De lichtjes op of rond het dashboard flikkeren op de meest ongelukkige momenten. Zoals vandaag, bijvoorbeeld. Terwijl het toch wel duidelijk was Dat Ik Ergens Moest Zijn!
– Het verkeer haat mij –

Het bewijs daarvoor werd ook deze morgen geleverd, terwijl ik mij – ruim op tijd en met flikkerende lichtjes op het dashboard en al – richting station begaf. Plots dook er een wegomlegging op. Baf! Uit het niets. En de gps had streken. Waardoor ik uiteraard de trein op een haar na miste.

En dus ook mijn afspraak. Want in normale omstandigheden zou ik – nadat ik de trein in de verte zag verdwijnen – vloekend terug naar mijn auto stappen, het adres in de gps invoeren en vertrekken. Maar dat kon vandaag niet. Door die f***ing flikkerende lichtjes! Te weinig remvloeistof – niet v.rijden – stond er te lezen. Ik pijnigde mijn hersenen. Niet verder rijden? Niet vlug rijden? Niet vandaag, vervelend, of vurig rijden? Niet vlot en gezwind? Niet via Brussel?

– Ik ben uiteindelijk maar naar de garage gereden –

Zo kon ik in elk geval niet verkeerd rijden. Mijn welgemeende excuses aan al wie mij op de vergadering had verwacht. De volgende keer kom ik te voet!

P.S.

Nu ik eraan denk: ook files haten mij. Want mijn rijvak gaat zonder uitzondering trager dan alle andere. (Wat mij doet vermoeden dat ook de kassa’s van de supermarkt niet gek op mij zijn.)