Tragische romantiek in het dierenrijk

Walvissen hadden we al eerder gezien. Vijf jaar geleden in Ecuador, om precies te zijn. Ze blijven uiteraard indrukwekkend, maar deze keer waren het vooral de dolfijnen waarnaar we uitkeken. Die bleken helaas moeilijker te vinden.

We voeren steeds verder de zee op.

Voorbij het koraalrif dat de golven naar de vredige baai brak. Voorbij het kalme water waar de bultruggen zich gewillig door toeristen lieten bewonderen. We zagen niets. Noppes. Nada. Of toch: drijvende reuzenschildpadden. Twee stuks, bovenop elkaar. Dat ze aan het paren waren, wist de gids ons te vertellen. En dat ze dat 6 weken aan een stuk volhielden. ZES. WEKEN. SEKS. Drijvend aan de oppervlakte van de Stille Oceaan. Af en toe doken ze onder, zei hij. Zodat het vrouwtje algen kon eten. Het mannetje had minder geluk: die lag bovenop en moest het dus zonder voer doen. Soms overleefde hij het, maar vaker niet. Tragische romantiek in het dierenrijk.

We wilden het net opgeven.

En toen kregen we er eentje te zien: een dolfijn. Aaaaaaah, riepen we met zijn vijven in koor. De gids deed niet mee. Misschien had hij er al te veel gezien in zijn leven en deed het hem niets meer. Heel even zwom de dolfijn op enkele meters voor onze boot, en daarna kwam hij ook nog eens aan de oppervlakte naast ons. Hij maakte een schattig geluidje. Wij deden unisono van ‘aaaaah’.

We waren dolgelukkig.

Op de terugweg naar het strand zagen we er plots nog een stuk of tien. En elke keer riepen we weer ‘aaaaah’. Want dolfijnen zien, dat went niet. Wat onze gids er ook van denkt.

Mijn ogen traanden. Al kan dat ook van de wind geweest zijn.

P.S. Hierboven een foto van de parende schildpadden. Foto’s van de dolfijnen heb ik niet gemaakt. Ik had het te druk met ‘Aaaah’ roepen.

Vijf mogelijke reisroutes waar geen kat wat aan heeft

Ik hou van improvisatie. Ook bij het reizen. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan waarom. Misschien omdat ik het van huis uit heb meegekregen, wat mij een hoop mooie herinneringen heeft bezorgd. Of omdat het avontuurlijker is: een vast plan laat weinig ruimte voor toevallige ontmoetingen, ingevingen van het moment of andere zottigheden. Of gewoon omdat ik au fond een luie donder ben. Kan ook. (Meestal werkt het trouwens prima. Tijdens mijn eerste reis alleen heb ik aan mijn gebrek aan planning de Liefde Van Mijn Leven overgehouden 🙂 )

Dit is hoe het gaat:

We kiezen een land, zoeken een en ander op en boeken de vliegtuigtickets. Als we vroeg zijn, gebeurt dat een maand of vier op voorhand. Soms amper twee weken. Daarna doe ik niets. Af en toe een beetje surfen, wat dingetjes opzoeken, een Lonely Planet aanschaffen. Een dag of vijf voor vertrek slaat de paniek toe: waar gaan we naartoe? Wat moeten we absoluut gezien/gedaan/bezocht hebben ter plaatse? Dat is het moment waarop de reisgids in ijltempo wordt doorgenomen. Ik onderstreep, doorstreep, omcirkel – tussen het wassen, strijken en valiezen maken door. Ik maak een eerste basisplan op. De volgende dag geven de kinders commentaar en mag ik helemaal opnieuw beginnen. De dag daarna nog een keer. Enzovoort. Tegen de tijd dat we op het vliegtuig stappen heb ik vijf mogelijke reisroutes waar geen kat wat aan heeft.

Gelukkig is er bij aankomst de huurwagen.

En gps. Zo wordt de knoop uiteindelijk toch doorgehakt. We rijden van stad naar dorp, van vulkaan naar strand, van regenwoud naar droge vlakte. Zolang er daglicht en benzine is en de Echtgenoot zijn ogen kan open houden. Soms slapen we in een proper, zacht bed. En soms in een rovershol. We gaan op restaurant, eten in een kraampje langs de weg of koken onze eigen pot. We bezoeken musea, kuieren wat rond, doen gevaarlijke dinges of liggen in een hangmat. Het is zalig.

Het is dat de terugvlucht al geboekt is, anders wist ik eerlijk waar niet of en wanneer we terugkwamen.

 

 

 

Negen ziplines en een rappel

Het is dat je van niets wist toen je boekte.

Negen ziplines en één rappel – gewoon een afdaling, hadden ze gezegd. Niets om je zorgen over te maken, mevrouwtje. Dat deed je ook niet. Na die negen ziplines zou zo’n afdaling er nog wel bij kunnen. En inderdaad: toen je eindelijk zo ver was geraakt, kon die hele rappel je geen bal meer schelen.

Twee uur lang was je continu over je grenzen gegaan. Met een belachelijk lelijke helm op (een gele!) en riemen die in je billen sneden was je aan een ijzeren koord door het regenwoud gescheurd. Zonder gillen. Zonder vallen. En zonder zeuren. Je had alleen een beetje je hand verbrand bij het remmen, omdat die stomme handschoen versleten was. Je was best trots op jezelf. Dan kon je zo’n rappelletje toch ook nog aan?

Tot je zoon erop wees hoe diep het was, tot aan het water. Je lachte het weg: jullie moesten helemaal niet tot aan het water.

Toch?

Abseilen. Met een klap drong het tot je door: dat was wat je zou doen. Een idioot gevaarlijke sport voor adrenalinefreaks zonder hoogtevrees. Mensen die het fijn vinden om tegen een krankzinnig verticale rotswand aan te huppelen.

Je slikte. Zo gevaarlijk kon het niet zijn, toch? Je hing immers aan een koord. Een stevig koord. En je was beveiligd met een ander stevig koord. Bovendien stond er beneden én boven iemand die je zachtjes zou laten zakken. Dacht je. Maar je liet iemand voorgaan. Om het eerst maar eens aan te zien. En toen nog iemand. En nog iemand. Tot je het niet meer kon uitstellen. Anders zou je de laatste zijn, en dat was nog enger dan de voorlaatste.

Dus daar ging je.

En het ging best goed.

Nou ja. Goed… Dat harnasding sneed behoorlijk pijnlijk in je rug en af en toe ging het pittig snel naar beneden. Het kostte je ook flink wat moeite om af te remmen – alsof je je hele gewicht zelf moest dragen met die ene arm. Wat stonden die venten met dat koord daar boven en beneden in godsnaam te doen? Luie donders! Enigszins elegant tegen de rotswand op en neer huppelen zat er op die manier uiteraard niet in. Je mocht al blij zijn als je heelhuids beneden aankwam.

Godverdomme!!! Waarom had je je dit laten aanpraten?

Je raakte beneden – dat kon ook niet anders. En je had nog al je ledematen en leefde zelfs nog min of meer. Achteraf kreeg je de videobeelden te zien. Het touw naar beneden hing de hele tijd slap. Je had jezelf laten zakken. Met die ene arm. Dat had niemand je op voorhand verteld, natuurlijk. En ze hadden groot gelijk gehad.

10 kleine ergernissen tijdens het pakken voor een verre reis

  • Dat de veters van je schoenen danig rafelen en je ze nog nauwelijks door de gaatjes krijgt. En dat die truuk met plakband niet zo goed werkt als je zou willen/als tinternet verkondigt.
  • Dat de kinders na het afronden van de echt-aller-allerlaatste was toch nog een vuil T-shirt, twee groezelige shorts en vijf paar stinkende sokken vinden. Die absoluut meemoeten, uiteraard.
  • Dat de Echtgenoot zijn enkel verstuikt en naar de dokter van wacht moet. Zonder veel erg, maar toch. (En dat hij maar beter genezen kan zijn tegen dat je landt en je met de huurauto het Latijns-Amerikaanse verkeer moet trotseren. Anders is die verstuikte poot het minste van je zorgen!)
  • Dat je vergeten was dat er eigenlijk ook nog gekookt moet worden. En dat niemand zin heeft in ‘alweer soep met boterhammen’.
  • Dat het een feestdag is, dus alle winkels zijn gesloten. Je hebt uiteraard alles op voorhand in huis gehaald – strakke planner die je bent – maar die knagende ‘wat als’ is behoorlijk enerverend.
  • Dat er last minute nog vier gaten gestopt en zeven knopen aangenaaid moeten.
  • Dat het online bankieren plots beweert dat je twee kaarten niet geldig zijn. Wat uiteraard onzin is en na een half uur van volslagen hysterie vanzelf opgelost raakt.
  • Dat je geen flauw benul hebt in welke hoek of rommellade je de internationale adaptor na de laaste reis hebt gegooid.
  • Dat je minstens vier keer de reispassen en andere documenten moet checken om je ervan te vergewissen dat ze er echt allemaal zijn.
  • Dat je de enige bent in het gezin die zich druk maakt in dit alles.

Maar het komt goed. Heus.

En anders leest u het wel.

 

Integratie is een kwestie van toeteren

Het is een code. Een duistere, ingewikkelde en ondoordringbare code. Dat is de onvermijdelijke conclusie die wij na twee dagen Ecuador konden trekken.

Een existentiële drang

Een van de meest opvallende geluiden is het constante getoeter op straat: een muzikaal spel van lange en korte biepen, van hard en zacht geclaxonneer. In tegenstelling tot bij ons heeft toeteren in Ecuador meer functies dan waarschuwen of dreigen. Soms is het een groet – misschien heeft de chauffeur een mooie vrouw gezien of wil hij de aandacht trekken van zijn vriend aan de overkant van de straat. Soms is het een uitnodiging – in dat geval heeft de chauffeur zonder twijfel een mooie vrouw gezien of wil hij rondslenterende toeristen zijn taxi in lokken. Maar meestal is het een kwestie van existentiële drang tot zelfbevestiging. De chauffeur moet namelijk dringend laten weten dat hij bestaat. Afgaande op het aantal variaties in toeterfrequentie, -ritme en -intensiteit, zijn er daarnaast nog een honderdtal andere redenen om lawaaierig te zijn. Die kan een buitenlander onmogelijk bevatten, dus laten we vooral geen moeite doen.

Maar eigenlijk toeteren de Ecuadoranen gewoon omdat ze dat leuk vinden.

En kijk, dat kunnen wij ook.

Wij hebben namelijk een auto om rond te toeren. En het eerste wat we doen, is de toeter uitproberen. We zijn er nog een beetje onhandig in – we snappen de code niet, weet u wel – maar dat komt ongetwijfeld. In afwachting daarvan zitten de kinderen alvast op de achterbank te juichen bij elke biep, toet of ander irritant geluid dat onze wagen voortbrengt.

When in Rome…, nietwaar?

Van gebrek aan integratie kan men ons alvast niet beschuldigen.

 

Nee, wij trekken momenteel niet rond in Ecuador. Dat deden we 5 jaar geleden, om precies te zijn. Het verslag daarvan stond nog ergens op een verre, lang vergeten blog. In het vooruitzicht van onze volgende verre reis, leek het mij wel leuk deze reisverslagen hier te plaatsen.

Over grapjes, spanningsbogen en lesboeken

Fictie is mijn forte.
Tenminste, dat dacht ik tot voor kort.
Want kijk: er moet ook brood op de plank en geld op de bank. En dat is met fictie niet altijd makkelijk. Daarom nam ik de voorbije twee jaar steeds meer schrijfopdrachten aan die weinig tot niets te maken hadden met wat ik gewoonlijk doe.

     

Van lesboeken tot trouwmagazines

Ik schreef over de meest uiteenlopende onderwerpen: van struisvogels over historische uitvindingen tot scheepvaart, van het dierenasiel over een feest-doe-boek tot artikels voor een trouwmagazine. Op die manier zijn er op twee jaar tijd ettelijke duizenden woorden uit mijn pen gekropen.
En het vreemdste is: ik deed het (bijna) allemaal even graag.

Goesting om voort te lezen

In feite is het schrijven van non-fictie (en zelfs van commerciële teksten) niet zó verschillend van fictie. Je bent in beide gevallen afhankelijk van de goodwill van je lezer. Van zijn of haar goesting om voort te lezen. En dat moet je verdienen, want iedereen heeft wel wat beters te doen dan jouw teksten verslinden.
Hoe je dat doet?
Met mooie woorden en correcte zinnen, uiteraard.
Maar ook met originaliteit en stijl. En zelfs met een flinke portie humor en spanning.

Humor?

In een lesboek over historische uitvindingen?
Jazeker.
Voorál in dat soort teksten. Je hebt weinig ander gereedschap om je lezer bij zijn nekvel te grijpen, toch? De uitvinding van het wiel was immers niet echt een ijzingwekkend spannende gebeurtenis. Of een verhaal met een twist, een onverwachte clou of massa’s cliffhangers. Wil je de lezer blijven boeien, dan kun je maar beter leuk uit de hoek komen.

En spanning dan?

In een trouwmagazine?
Euh… ja hoor. Echt wel.
Natuurlijk gaat het hier niet om spanning als in ‘wie-heeft-het-gedaan’ of ‘wat-staat-er-straks-weer-te-gebeuren’. Maar je moet wél de nieuwsgierigheid van je lezer prikkelen. En dat lukt niet als je gewoon rechttoe rechtaan je ding vertelt. Dan haakt de lezer af. Het gaat erom de informatie met mondjesmaat vrij te geven, zodat er steeds een reden is om door te lezen.

Non-fictie als experimenteerklasje

Alles draait om opbouw: het doseren van informatie en die afwisselen met humor en leuke vondsten. Om het creëren van een spanningsboog.
In die zin kun je zeggen dat non-fictie schrijven de ideale manier is om te experimenteren met verteltechnieken. Niet wát je vertelt is het belangrijkste, maar hoe je het vertelt. En dat komt prima van pas als je later weer fictie gaat schrijven.

Áls je nog weer fictie gaat schrijven.
Want eerlijk: non-fictie is minstens net zo leuk.

 

Heb je zelf nog tips over het schrijven van non-fictie? Reageer er gerust op los!

Ne frak van een Dutske sarze

Tot een jaar geleden wist ik nauwelijks wat een podcast was. Ik ben er nog steeds niet in thuis, maar ik durf er af en toe wel eentje te beluisteren. En dit is een specialleke. Gemaakt door een vriendin, en met bijdrages van de Dochter en mijn jonge en minder jonge cursisten.

Waarom u dit gewoon móet horen:

Omdat het gaat over naaimachines die zichzelf terugverdienen, over meisjes die op hun elfde andermans huishouden deden en over vluchten voor de bommen in je bloot gat. Over plooirokskes op de kostschool, vechten voor lange broeks voor ’t vrouwvolk, olifantenpijpen en laqué schoenen. Over flashy fluovesten, ontplofte froufrous, epauletten en kakbroeken.

En omdat de dingen au fond net iets minder veranderen dan u had gedacht.

Luisteren kan hier.

 

 

Blog, blogger, blogst!

 

Het is nog vroeg, ik weet het. Maar ik wil het toch al even aankondigen. Want voor je het weet ontstaat er een stormloop, daar in de bib van Avelgem. En een handgemeen en relletjes en kleine volksopstanden, omdat er geen plaats meer is.

Op donderdag 23/11, 30/11 en 07/12, van 19u tot 21u30, leer ik u fijne blogs te schrijven. Met intrigerende onderwerpen, pakkende titels, en – ach, waarom ook niet – een écht lezerspubliek. Dus doe uzelf een plezier en reserveer nu alvast een plekje. Het bespaart u een een hoop stress en een last minute bloedneus of erger.

Inschrijven kan hier.

De jeugd van tegenwoordig

Ik was dit weekend op een feestje waar weinig foto’s van bestaan. Misschien wel geen, als je die donkere, onscherpe afdruk van mij hieronder buiten beschouwing laat. Dat zijn de beste feestjes, trouwens, wanneer iedereen het te druk heeft met zich te amuseren.

Ik kan u dus geen beelden laten zien

van hoe man en kinders hun spierballen lieten rollen om de partytent in de weide op te zetten. Hoe de vrienden van de Zoon met zware bakken vol platen, platendraaiers, kabels en boxen (Neen, moeder. Dat is een sound. Een sound!) kwamen aansleuren, met als indrukwekkend resultaat dat we ons de hele avond op ons eigenste privéfestival waanden. Hoe de buren hielpen met het koelen van drank, het lenen van stoelen en tafels en laat op de avond nog een pint kwamen meedrinken. Hoe een van de jongens tussendoor een uurtje of twee in onze woonkamer kwam zitten om te studeren voor zijn laatste examen de dag erna. Hoe een publiek van een 40-tal voornamelijk 15- tot 24-jarigen tot laat in de nacht rond het vuur zat te chillen en op klokslag middernacht de Echtgenoot kwam feliciteren met zijn verjaardag – ook al was het niet zijn feest, maar dat van de Zoon. U zult mij op mijn woord moeten geloven.

Ze kwamen van overal

– van Avelgem en Gent, van Brazilië en Ecuador, van Marokko en Zottegem –, ze hadden netjes knipte haren of gigantische dreads, ze droegen merkkledij of gescheurde broeken, studeerden of werkten. En ze waren stuk voor stuk fantastisch. Ze deelden hun drank, tenten en sigaretten, liepen verloren op weg naar de pittazaak en stapelden zich dankbaar in dubbele rijen op de achterbank van mijn autootje toen ze werden opgepikt. Ze trokken hun natte schoenen uit voor ze ’s morgens het huis binnen kwamen nadat een van hun tenten onder water was gelopen en waren dankbaar voor een droge trui en sokken. Ze maakten geen puinhoop van de weide, van de toiletten of ons huis, en lieten alles netjes achter. Ik had alleen gehoopt dat ze iets meer honger zouden hebben bij het ontbijt. (Echt waar, gasten. Ik heb nog overschot voor dágen!)

Het gaat dus wel goed met de jeugd van tegenwoordig,

als u het mij vraagt. Alvast met het deel dat met mijn kinderen bevriend is en dit weekend hier passeerde. Waarvoor dank. Ik hoop van harte dat er nog dergelijke feestjes zullen volgen. Als jullie beloven de volgende keer alle croissants op te eten.

 

 

5x Bambi

Niet ademen om te overleven

We hadden gehoopt op eentje, of twee. We vonden er vijf. Vijf babyhertjes, waarvan eentje pasgeboren. Het was nog niet eens helemaal droog.

De tegenstelling tussen volwassen herten en hun jongen kan onmogelijk groter zijn. Waar de grotere exemplaren de aandacht trekken door hun snelheid en beweeglijkheid, liggen hun jongen doodstil. Daar hangen hun overlevingskansen van af. Als er gevaar dreigt, vlucht de kudde weg. Wie te klein is om snel te rennen, blijft achter. Onbeweeglijk. Zonder te knipperen. Zonder te kwispelen. Zelfs zonder adem te halen. Tot het gevaar is geweken en de kudde hen weer ophaalt.

Ik had medelijden met de moeders én de jongen. Zoveel angst en stress op een zomerse zondagmorgen. Maar de nieuwsgierigheid was groter.

De kunst van dood spelen

We zijn uiteraard braaf geweest, de Echtgenoot en ik. We hebben ze niet aangeraakt. Alleen een paar foto’s gemaakt van op enkele meters afstand. Ook de baby’s zijn braaf geweest. Ze deden precies wat er van hen verwacht werd: doen alsof ze morsdood waren. Zelfs niet met hun (grote) ogen knipperen en nauwelijks ademen.

Maar bij eentje ging het mis.

4 onbeweeglijke baby’s en 1 hyperkineet

Nummer 5 bleek een hyperkineet. Onbeweeglijk blijven liggen terwijl twee idioten tussen de netels door een foto van je proberen te nemen duurde hem te lang. Dus sprong hij plots op – ik belandde van schrik net niet in de netels – en rende er op hoge, lichtjes scheve pootjes vandoor. Voor een baby ging hij razendsnel. Toch vond ik dat hij een inschattingsfout maakte. Toegegeven: ik had hem onmogelijk kunnen inhalen, maar ik vrees dat het voor een echt roofdier (of een van mijn honden) een eitje was geweest.

Ik hoorde het zijn moeder zo zeggen: Kind. Mijn hart stond stil. Wil je dat nooit meer doen?