Penhuis

Ik weet niet hoeveel kaartjes er beschikbaar waren, maar ze waren allemaal verkocht. Een vol (Pen)huis! En dat op een zondagmorgen om 10u30.

Dat is ook logisch: niemand minder dan Connie Palmen werd er geïnterviewd door Yves Van Durme. Het was een fijn gesprek, met mooie inzichten in haar werkethiek (‘Discipline is het allerbelangrijkste.’ Dankjewel daarvoor, Connie. En: ziejewel, cursisten?), haar relativeringsvermogen (‘Kritische recensies doen me niets. Dat heb ik te danken aan mijn arrogantie.’) en haar relatie met het publiek (‘Direct contact is niet de bedoeling.’).
Er werd best veel gelachen, ook al ging het vaak over erg pijnlijke zaken.
Eerlijk: ik las al een paar boeken van Palmen, en ik bewonder haar zeer. Ik had wel een vermoeden dat ze gevoel voor humor had. Maar ik wist niet dat ze zó grappig was.

Bovendien was ook het kader erg aangenaam. De oude oranjerie aan de Broelkaai is een prachtig decor, dat het midden houdt tussen gracieus verval en aangename restauratie. Alleen de geluidsinstallatie liet het afweten – na minutenlang gezoem en talloze ijdele interventies besloten de sprekers het gesprek zonder microfoons voort te zetten. Het merendeel van het publiek hoorde alsnog wat er werd gezegd. Behalve blijkbaar de dame schuin achter mij, die alle belangrijke quotes nog eens (vreselijk) luid door haar buurvrouw liet herhalen. En er vervolgens commentaar op gaf.

Maar goed.
Aan het lezen nu. Ik zit immers halfweg ‘De Wetten’ en ook ‘Jij zegt het’ ligt al te lonken. En dan is er nóg zoveel moois dat wacht om gelezen te worden.

 

De geur van Indische pap

Ik mocht vandaag nog eens gaan workshoppen. En alsof dat niet leuk genoeg was, was het ook nog in Gent te doen. Creatief schrijven met een groep anderstalige nieuwkomers, in een prachtig decor.

Juij!

Toch was ik een beetje nerveus. Er spookten allerlei vragen en rampscenario’s door mijn hoofd, waarvan het leeuwendeel te maken had met mijn eigen ongeorganiseerde en chaotische zelf. (Zal ik niet verdwalen op zoek naar een parkeerplaats in Gent? Slaag ik erin om tegen het afgesproken tijdstip het juiste lokaal te vinden, in een gebouw dat een volledig straatblok beslaat? Hoe werken die f***ing ticketautomaten ook alweer en waarom heb ik geen kleingeld in mijn zakken? Zal ik erin slagen om niet al te snel te spreken en niet te druk met mijn armen te zwaaien, zodat de cursisten mij verstaan?)

Maar kijk: het lukte wonderwel.

Ik kwam ruim op tijd aan, reed met mijn ogen dicht (bij wijze van spreken, uiteraard!) in een van de vele vrije parkeerplaatsen, slaagde erin om een app te downloaden en alsnog een parkeerticket te betalen en liep vervolgens recht op het betreffende lokaal af. Het leek begot alsof ik dit dagelijks deed.

De (on)zin van voorbereiding.

Ik had van alles voorbereid: materiaal en oefeningen voor minstens drie workshops. Het bleek niet nodig. Deze groep had aan een half woord genoeg om te schrijven. We begonnen met een zelfportret in vijf woorden en een zin, en een uur later zaten we middenin verhalen over vrouwenrechten, Belgische bierproeverijen, de geur van Indische pap en liefdesbrieven in opdracht.

Bij het afscheid werd ik bedankt – ze vroegen lachend wanneer de volgende les was. Maar ik wist wel beter: ik had meer van hen geleerd dan omgekeerd. Sommige mensen moet je niet leren schrijven.

Ze worden als dichter geboren.

Tien dingen die ik haat aan schrijven

Het was een schrijfopdracht voor mijn cursisten Literaire Creatie, bij wijze van kennismaking. Ze zouden 10 dingen oplijsten die ze haten aan schrijven. En nog eens 10 die ze haten aan nÍet schrijven. Ah ja. Kwestie van een en ander duidelijk te maken.

Makkelijk zat, dacht ik. Die liefde-haatverhouding met het lege blad, daar worstelt elke schrijver toch mee?

Dus deed ik de oefening.

(Een van mijn talloze goede voornemens voor het nieuwe schooljaar: alle schrijfopdrachten die ik uit mijn mouw schud, ook zelf doen. Kwestie van kilometers te maken, vingers los te gooien en conditie zitvlees te kweken.) Het bleek minder simpel dan gedacht.

Tien dingen die ik haat aan schrijven
  1. Dat ik het niet kan laten. Dat ik ermee opsta en ga slapen, waardoor het lijkt alsof niets anders telt. Behalve lezen dan. En de Echtgenoot en de Kinders. Die ook, natuurlijk.
  2. Dat ik sneller denk dan ik kan tikken, maar soms ook sneller tik dan ik kan denken. En dat geen van beide in mijn ogen ooit snel genoeg gaat, hoewel ik sneller tik dan mijn schaduw. Bij wijze van spreken.
  3. Dat ik krmap krijg en fouten tik. Die ik dan moet verbeteren – obsessief en uiteraard het liefst meteen, waardoor die hele schrijfflow ook weer om zeep is.
  4. Dat het lekker lui werken is aan mijn bureau, maar dat ik er bepaald niet slanker of fitter van word. En mijn rug heeft er ook geen baat bij.
  5. Dat ik niet in bad /bed/op de loopband kan schrijven, terwijl dat voor mijn rug en mijn lijn een stuk beter zou zijn. En ja, ik heb het geprobeerd. De ene optie was bijzonder oncomfortabel, de andere twee ronduit levensgevaarlijk. Ik heb er nog altijd ergens littekens van.
  6. Dat het nooit af is. Er is altijd wel een komma te veel of te weinig, een woord waarvan ik weet dat het eigenlijk nog beter, nog preciezer zou kunnen of een zin die nog een beetje rammelt. En dat het daardoor nooit goed genoeg is en er altijd wel iets blijft knagen.
  7. Dat ik het elke dag opnieuw moet doen, omdat ik het anders verleer. Terwijl ik er op sommige dagen gewoon echt en helemaal geen f***ing  zin in heb! (Net zoals ik helemaal verzot ben op chocolade, en toch ook niet elke dag een hele reep… Hm. Neen, laat maar. Die vergelijking gaat niet op.)
  8. Dat ik er andere dingen voor moet laten, zoals daar zijn: een nachtje stevig doorzakken, uitgebreid gaan winkelen, nieuwe series binge-watchen op de Netflix van de Zoon of veel meer lezen dan ik nu al doe.
  9. Dat mijn hoofd overloopt van verhaallijnen, personages en mooie zinnen, omdat ik ze nooit op tijd geschreven krijg.
  10. Dat ik het ontzettend moeilijk vind om alles onder 10 punten te verzamelen.
Tien dingen die ik haat aan níet schrijven
  1. Dat ik het niet kan laten. Dat ik ermee opsta en ga slapen. Vooral wanneer ik het níet doe. Dan is het nog net een tikje erger.
  2. Dat ik er zenuwachtig van word en uiterst onaangenaam. Totaal niet te genieten. Vraag maar aan de Echtgenoot en de Kinders.
  3. Dat mijn hoofd na een paar schrijfstille weken wel een toevluchtsoord lijkt voor ontsnapte personages en gestoorde plotlijnen. En dat ik daarin verdwaal.
  4. Dat ik niet eens aan tien dingen raak, verdomme.

Terwijl níet schrijven toch echt veel erger is dan wél schrijven.

Gelukkig maar.

Niet v.rijden!

Ik heb een haat-liefdeverhouding met transport. Dat bleek nog maar eens deze morgen. Ter info: de fout lag niet bij mij! Het was allemaal de schuld van mijn wagen. En van de trein, de wegomlegging en de flikkerende lichtjes. Die ook, natuurlijk.
– Auto’s haten mij –

Dat is een boude uitspraak, maar van boud is nog geen vlieg doodgegaan. En bovendien kan ik het bewijzen:

  • Het is balen, maar ik val op auto’s die niet bij mijn budget passen. Als in: er zijn te veel kosten aan, ze verbruiken te veel, ze zijn te groot, te klein, te opvallend, te onopvallend, te welk-zinnig-mens-zou-daar-ooit-mee-rijden… Alle andere (lees: functionele) auto’s vind ik gewoon lelijk. Of volslagen oninteressant. En dat is nog erger.
  • De knopjes op of rond het dashboard zitten nooit op de juiste plek. Serieus. Moet werkelijk álles op de minst logische plaats zitten? Of in een of ander hoekje waar ik nooit ga kijken? Is dat niet gevaarlijk? Tegen de tijd dat ik alles heb gevonden is een accident niet uit te sluiten. (Ooit heb ik in een vreselijke colère naar de Echtgenoot gebeld vanuit het tankstation. Hoe ik in godsnaam moest tanken met zijn wagen als ik dat ding niet openkreeg. Bleek er een knopje ergens verstopt te zitten. Duh.)
  • De gps heeft streken in mijn nabijheid. Niet zo bij andere mensen – die raken vreemd genoeg altijd op hun bestemming. Alleen míj stuurt hij om mysterieuze redenen steeds de verkeerde kant op.
  • De autogordel snijdt in mijn nek.
  • De lichtjes op of rond het dashboard flikkeren op de meest ongelukkige momenten. Zoals vandaag, bijvoorbeeld. Terwijl het toch wel duidelijk was Dat Ik Ergens Moest Zijn!
– Het verkeer haat mij –

Het bewijs daarvoor werd ook deze morgen geleverd, terwijl ik mij – ruim op tijd en met flikkerende lichtjes op het dashboard en al – richting station begaf. Plots dook er een wegomlegging op. Baf! Uit het niets. En de gps had streken. Waardoor ik uiteraard de trein op een haar na miste.

En dus ook mijn afspraak. Want in normale omstandigheden zou ik – nadat ik de trein in de verte zag verdwijnen – vloekend terug naar mijn auto stappen, het adres in de gps invoeren en vertrekken. Maar dat kon vandaag niet. Door die f***ing flikkerende lichtjes! Te weinig remvloeistof – niet v.rijden – stond er te lezen. Ik pijnigde mijn hersenen. Niet verder rijden? Niet vlug rijden? Niet vandaag, vervelend, of vurig rijden? Niet vlot en gezwind? Niet via Brussel?

– Ik ben uiteindelijk maar naar de garage gereden –

Zo kon ik in elk geval niet verkeerd rijden. Mijn welgemeende excuses aan al wie mij op de vergadering had verwacht. De volgende keer kom ik te voet!

P.S.

Nu ik eraan denk: ook files haten mij. Want mijn rijvak gaat zonder uitzondering trager dan alle andere. (Wat mij doet vermoeden dat ook de kassa’s van de supermarkt niet gek op mij zijn.)

 

Over grapjes, spanningsbogen en lesboeken

Fictie is mijn forte.
Tenminste, dat dacht ik tot voor kort.
Want kijk: er moet ook brood op de plank en geld op de bank. En dat is met fictie niet altijd makkelijk. Daarom nam ik de voorbije twee jaar steeds meer schrijfopdrachten aan die weinig tot niets te maken hadden met wat ik gewoonlijk doe.

     

Van lesboeken tot trouwmagazines

Ik schreef over de meest uiteenlopende onderwerpen: van struisvogels over historische uitvindingen tot scheepvaart, van het dierenasiel over een feest-doe-boek tot artikels voor een trouwmagazine. Op die manier zijn er op twee jaar tijd ettelijke duizenden woorden uit mijn pen gekropen.
En het vreemdste is: ik deed het (bijna) allemaal even graag.

Goesting om voort te lezen

In feite is het schrijven van non-fictie (en zelfs van commerciële teksten) niet zó verschillend van fictie. Je bent in beide gevallen afhankelijk van de goodwill van je lezer. Van zijn of haar goesting om voort te lezen. En dat moet je verdienen, want iedereen heeft wel wat beters te doen dan jouw teksten verslinden.
Hoe je dat doet?
Met mooie woorden en correcte zinnen, uiteraard.
Maar ook met originaliteit en stijl. En zelfs met een flinke portie humor en spanning.

Humor?

In een lesboek over historische uitvindingen?
Jazeker.
Voorál in dat soort teksten. Je hebt weinig ander gereedschap om je lezer bij zijn nekvel te grijpen, toch? De uitvinding van het wiel was immers niet echt een ijzingwekkend spannende gebeurtenis. Of een verhaal met een twist, een onverwachte clou of massa’s cliffhangers. Wil je de lezer blijven boeien, dan kun je maar beter leuk uit de hoek komen.

En spanning dan?

In een trouwmagazine?
Euh… ja hoor. Echt wel.
Natuurlijk gaat het hier niet om spanning als in ‘wie-heeft-het-gedaan’ of ‘wat-staat-er-straks-weer-te-gebeuren’. Maar je moet wél de nieuwsgierigheid van je lezer prikkelen. En dat lukt niet als je gewoon rechttoe rechtaan je ding vertelt. Dan haakt de lezer af. Het gaat erom de informatie met mondjesmaat vrij te geven, zodat er steeds een reden is om door te lezen.

Non-fictie als experimenteerklasje

Alles draait om opbouw: het doseren van informatie en die afwisselen met humor en leuke vondsten. Om het creëren van een spanningsboog.
In die zin kun je zeggen dat non-fictie schrijven de ideale manier is om te experimenteren met verteltechnieken. Niet wát je vertelt is het belangrijkste, maar hoe je het vertelt. En dat komt prima van pas als je later weer fictie gaat schrijven.

Áls je nog weer fictie gaat schrijven.
Want eerlijk: non-fictie is minstens net zo leuk.

 

Heb je zelf nog tips over het schrijven van non-fictie? Reageer er gerust op los!

Blog, blogger, blogst!

 

Het is nog vroeg, ik weet het. Maar ik wil het toch al even aankondigen. Want voor je het weet ontstaat er een stormloop, daar in de bib van Avelgem. En een handgemeen en relletjes en kleine volksopstanden, omdat er geen plaats meer is.

Op donderdag 23/11, 30/11 en 07/12, van 19u tot 21u30, leer ik u fijne blogs te schrijven. Met intrigerende onderwerpen, pakkende titels, en – ach, waarom ook niet – een écht lezerspubliek. Dus doe uzelf een plezier en reserveer nu alvast een plekje. Het bespaart u een een hoop stress en een last minute bloedneus of erger.

Inschrijven kan hier.

Niets doen

 

Niets doen. Mens, dat was lang geleden. Zo lang, dat ik het bijna verleerd was. Af en toe moest ik mezelf zelfs streng toespreken wanneer ik weer eens rusteloos door het vakantiehuis dwaalde, op zoek naar een klusje.
‘Neen, we doen niets! Niemendal, noppes, nada. Gehoord?’
Ik was nietsvermoedend gaan zitten en had mijn laptop opengeklapt. Ik gaf mezelf nog net geen tik op de vingers.
‘Neen! Vandaag niet en morgen al helemaal niet. En als het even kan de dagen daarna ook niet. Lui en vadsig zullen we zijn. Willen of niet!’
Bijna had ik een sok van de grond gepikt, maar ik kon me beheersen.
‘Blijf er af! We doen helemaal niets. Heb je prut in je oren? En kijk: daar ligt een boek!’
Ik stond met een schuursponsje en antikalk in mijn handen. Meedogenloos legde ik ze terug in de kast.
Het leek te werken.
Ik bleef van de computer af. Ik pakte mijn kleren niet uit en leefde uit mijn koffer. Ik schreef niet, waste en streek niet, poetste niet en kookte maar een heel klein beetje. Net genoeg om in leven te blijven. En de afwas deden de kinders. Ook het nadenken en malen probeerde ik binnen de perken te houden, al lukte dat maar met mate – een hardnekkige gewoonte leert een mens niet af tijdens een weekje vakantie.
Lezen deed ik mateloos.

Het lukte, maar het ging niet vanzelf. Al na één dag vertoonde ik afkickingsverschijnselen: rusteloosheid, hoofdpijn en vreemde tics op ongepaste momenten. Weer sprak ik mezelf streng toe.
‘Ach ach. Niets wat met een goed boek, een glas wijn en een degelijke nachtrust niet te genezen valt. Toch?’
Maar dat schrijvershoofd, dat wilde niet mee. Het bleef maar malen.
Ik had toch een schrift meegebracht?
Waarvoor diende dat anders dan om te schrijven?
Toe? Een klein beetje maar. Een regeltje of vier.
‘Neen. We doen niets! Dus ook niet schrijven.’
Ik bleef twijfelen. Geloofde mezelf niet helemaal.
Overal zag ik verhaallijnen voorbij komen, dichtregels, personages, titels en tekstflarden. Hoe minder ik ernaar op zoek ging, des te talrijker ze werden. Ik schreef ze niet neer, maar borg ze veilig op in een van de vele laatjes in mijn hoofd. Voor later. Na een paar dagen waren het er zo veel, dat ik vreesde ze te vergeten. Dus nam ik stiekem mijn schrift en schreef er een paar op.
Mijn reactie liet niet op zich wachten.
‘Proper.’
Dat is niet echt schrijven. Het zijn maar enkele woorden.
‘Ja hoor. Natuurlijk.’
Ik legde het schrift weer aan de kant. Met heel veel moeite. Ik zou mezelf nog even respijt gunnen. Nog even niets doen en de ideeën koesteren. Als ze goed genoeg waren, zouden ze de vakantie wel overleven.

Ik ben benieuwd.

Een workshop!

Inderdaad, een workshop. Waarbij ik iedereen begeleid die zijn eerste stappen wil zetten in de wondere wereld van het kortverhaal. Hoera, hoera, dát was lang geleden. (Ik durf zelfs niet naar beneden te scrollen om te zien hoe lang precies.)

Afspraak op vrijdag 10 februari van 14u tot 17u in de prachtige bibliotheek Kris Lambert in het schone Oostende. En alsof dat nog niet genoeg is, kost het u ook nog eens niks niemendal. Nul, noppes, nada. Daarvoor kan een mens niet sukkelen, me dunkt. Meer dan een potlood en een blad papier hebt u trouwens ook al niet nodig. En anders leen ik u wel een stylo en kunt ge desnoods op uw armen, benen en andere lichaamsdelen krabbelen. Een mens moet inventief zijn, nietwaar.

Ik zie u dus massaal opdoemen, daarginds. Nadat u ingeschreven hebt, welteverstaan. En dat kan hier.

 

Groeten uit het Lijsternest #4: Heimwee

Natuurlijk is er heimwee, ook al ben je niet ver van huis.

Je mist je man, je huis, je honden en je diepvries. Je boeken, je ligbad, de jurk die je vergeten bent en je printer. De veiligheid van de bekende omgeving en van altijd iemand dichtbij.

En je kinderen. Vooral je kinderen. (Zij jou waarschijnlijk ook heel af en toe – al zullen ze dat niet zeggen. Tieners zijn te stoer om zoiets sentimenteels als gemis openlijk te belijden. Gelukkig.)

Toch blijf je halsstarrig waar je bent. Want af en toe – een keer of wat om de vier jaar – is het goed om de deur achter je dicht te trekken en te staren door een ander raam naar een wereld die zoveel stiller is. En grijzer ook, bij tijden, maar stiller toch vooral en wijdser.

img_1541

Groeten uit het Lijsternest #3: afkicken

img_1386

Of het niet stilaan gaat vervelen, vroeg iemand een paar dagen geleden, weken aan een stuk in je eentje met alleen maar boeken en schrijfspullen om je heen. Daar moet je toch gek van worden?

Absoluut niet.

Boeken zijn namelijk uitstekend gezelschap. En ook met de schrijfspullen wil het best vlotten. (Ze werken niet altijd mee zoals ik zou willen, maar na lang onderhandelen hebben we uiteindelijk een akkoord bereikt. Het komt hierop neer: of ze werken mee, of ik smijt ze buiten. Ik ben nogal dictatoriaal in mijn onderhandelen.)

Toch heb ik moeten afkicken; van de drukte, de chaos en de stress die een fulltime job in combinatie met een halftijdse schrijfcarrière en een huishouden van vijf met zich mee brengen. De eerste dagen hier in mijn nest liep ik verloren. Het zal wel mijn eigen dramatische ik zijn, maar ik verwachtte aldoor dat er opeens en uit het niets gigantische manden vol strijk en bergen afwas zouden opduiken, of boodschappenlijsten die minstens zeven winkelbezoeken omvatten, of een kapotte vaatwas, een lekkende dakgoot, een zieke puber, een mankende hond, of – het allerergste – een klas dictiekindjes die ik bij mijn lesvoorbereidingen schandelijk over het hoofd had gezien.

Ik had er zelfs nachtmerries van.

Vandaar het vele wandelen: kwestie van mijzelf weer richting te geven en het spinrag uit mijn hoofd te laten waaien. En kwestie van moe genoeg te zijn om ’s avonds als een blok in slaap te vallen.

Als je jarenlang en tegen beter weten in dagelijks een to-dolijst opstelt die verdacht veel lijkt op een jaarplan, dan doet het vreemd wanneer je agenda op een dag zo leeg blijkt als een uitgeblazen ei*.

Maar ik ben hoe dan ook van plan om er nog twee weken ontzettend van te genieten.

img_1060

* Hier stond oorspronkelijk een andere vergelijking, maar die heb ik geschrapt wegens te voor de hand liggend en bovendien: ik wil niet stoken. Ook al leest geen enkele Trump-voter mijn blog. Denk ik.