Zo relatief is racisme – deel 2

Ze waren zes en acht en zaten samen op de achterbank. Het was zomer, de zon scheen en we waren klaar voor een lange rit naar het zuiden. Er werd geplaagd en gejend, getrokken en geduwd. Af en toe vloog er een strip, een sandaal of iets onbestemds door de auto. Ik trok het me niet aan. Een kind moet wat, daar op de achterbank.

‘Makak.’
Mijn hoofd sloeg een seconde ongecontroleerd naar links. Een zenuwtrek vanuit mijn nekwervels, waardoor een lichte waas over mijn ogen trok. Ik knipperde. Luisterde.
Het bleef stil.
‘Ma-ka-hak!’
Traag draaide ik me om. Wat ik daarnet had gehoord, vroeg ik, terwijl ik mijn uiterste best deed om mijn stem niet te verheffen. Hoe hij zijn broer had genoemd.
Hij haalde lacherig zijn schouders op en herhaalde gewillig wat hij had gezegd.
Makak.
Niet meer of minder. Hij zei het glimlachend. Lief bijna.
Waar hij dat vandaan had, vroeg ik.
Weer gingen de schouders omhoog.
Van school.
Zo. En van wie dan wel?
Schouders.
Van zijn vrienden. Zijn grote vrienden die hem tijdens de speeltijd opzochten en grapjes met hem maakten.

Het duurde even voor ik de juiste woorden vond om de zesjarige duidelijk te maken dat zijn grote vrienden niet echt vrienden waren. En dat hij dat woord maar beter niet meer in de mond kon nemen.

 

Na de vakantie vertelde ik het voorval aan een andere moeder bij de schoolpoort. Lachend. Zo van ach-je-weet-hoe-kinderen-zijn.
Ze was gechocqueerd.
‘Maar enfin,’ zei ze. ‘En het zijn toch geen makakken, die van u!’

 

Spread the love

Eén gedachte over “Zo relatief is racisme – deel 2

  • 23 juli 2014 om 7:41
    Permalink

    Grappig, herkenbaar … én van alle tijden ! mijn schoonbroer (inmiddels een prille 40-er) was als kleuter zó verrast toen hij voor het eerst een ‘neger-leeftijdgenootje’ zag dat hij enthousiast riep : “kijk mama, een aapje !!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *