Negen ziplines en een rappel

Het is dat je van niets wist toen je boekte.

Negen ziplines en één rappel – gewoon een afdaling, hadden ze gezegd. Niets om je zorgen over te maken, mevrouwtje. Dat deed je ook niet. Na die negen ziplines zou zo’n afdaling er nog wel bij kunnen. En inderdaad: toen je eindelijk zo ver was geraakt, kon die hele rappel je geen bal meer schelen.

Twee uur lang was je continu over je grenzen gegaan. Met een belachelijk lelijke helm op (een gele!) en riemen die in je billen sneden was je aan een ijzeren koord door het regenwoud gescheurd. Zonder gillen. Zonder vallen. En zonder zeuren. Je had alleen een beetje je hand verbrand bij het remmen, omdat die stomme handschoen versleten was. Je was best trots op jezelf. Dan kon je zo’n rappelletje toch ook nog aan?

Tot je zoon erop wees hoe diep het was, tot aan het water. Je lachte het weg: jullie moesten helemaal niet tot aan het water.

Toch?

Abseilen. Met een klap drong het tot je door: dat was wat je zou doen. Een idioot gevaarlijke sport voor adrenalinefreaks zonder hoogtevrees. Mensen die het fijn vinden om tegen een krankzinnig verticale rotswand aan te huppelen.

Je slikte. Zo gevaarlijk kon het niet zijn, toch? Je hing immers aan een koord. Een stevig koord. En je was beveiligd met een ander stevig koord. Bovendien stond er beneden én boven iemand die je zachtjes zou laten zakken. Dacht je. Maar je liet iemand voorgaan. Om het eerst maar eens aan te zien. En toen nog iemand. En nog iemand. Tot je het niet meer kon uitstellen. Anders zou je de laatste zijn, en dat was nog enger dan de voorlaatste.

Dus daar ging je.

En het ging best goed.

Nou ja. Goed… Dat harnasding sneed behoorlijk pijnlijk in je rug en af en toe ging het pittig snel naar beneden. Het kostte je ook flink wat moeite om af te remmen – alsof je je hele gewicht zelf moest dragen met die ene arm. Wat stonden die venten met dat koord daar boven en beneden in godsnaam te doen? Luie donders! Enigszins elegant tegen de rotswand op en neer huppelen zat er op die manier uiteraard niet in. Je mocht al blij zijn als je heelhuids beneden aankwam.

Godverdomme!!! Waarom had je je dit laten aanpraten?

Je raakte beneden – dat kon ook niet anders. En je had nog al je ledematen en leefde zelfs nog min of meer. Achteraf kreeg je de videobeelden te zien. Het touw naar beneden hing de hele tijd slap. Je had jezelf laten zakken. Met die ene arm. Dat had niemand je op voorhand verteld, natuurlijk. En ze hadden groot gelijk gehad.